een indrukwekkende analyse van de stamboom van Piet, de zwarte

Simon Koorn :
donderdag 24 september 2020

Waarom heet Zwarte Piet eigenlijk “Piet”…

… of heette Zwarte Piet ooit ‘gewoon’ ≫Oele≪?

De vraag waarom ≫Zwarte Piet≪ eigenlijk ≫Piet≪ heet is op zich niet vreemd…,

maar de grap is natuurlijk dat Zwarte Piet eigenlijk oorspronkelijk helemaal geen Zwarte Piet heette…

… maar Oele (Ûle), en die was onzichtbaar, zwart, pikzwart, roetzwart, zo zwart als de nacht…

Oele was de zoon, boodschapper en vaste begeleider van Wodan die zich naar believen onzichtbaar kon maken om zo ongezien en onopgemerkt bij het oelegat (rookgat, ‘schoorsteen’) op het dak kon zitten luisteren en kijken wat zich daarbinnen onder de mensen bij het haardvuur zoal afspeelde en of er misschien al een offergave lag in de vorm van een klein deel van de oogst (zoals kindertjes nu nog steeds hun schoen zetten, sok ophangen gevuld met stro en peen voor het paard van Sint) waarmee de bewoners de goden vroegen om een nieuw vrucht baar jaar met een hopelijk (weerom) goede oogst.

Oele kon zich onzichtbaar maken middels eenzelfde/dzelfde tovermantel (¿…sterrenmantel…?) zoals ook Wodan die bezat. Ook wordt Oele wel voorgrsteld als de Maan (soms zichtbaar soms niet). Oele (→Frysk: Ûle) kon zichzelf ook veranderen in een uil en zo door het oelegat geruisloos en ongezien naar binnenglippen, je zag ‘m alleen als ‘ie één va z’n ogen opsloeg en die dan het licht van het haardvuur weerkaatste.

Ruprecht, Zwarte Klaas, Zwarte Piet, Père Fouetard…

of Sjaak Sjoër, Hans Muck/Muff, Schmutzli…;

ze lijken op elkaar en zijn vooral zwart, zwart als de nacht, pikzwart, zwart als roet.

Maar waarom heet onze Oele nu Zwarte Piet (→of op z’n Westfries & Frysk: Pietje Pik of Pietje Pek) en niet Père Fouettard (Noord-Frankrijk/Walonië) zoals in de Elzas/Rijnland Hans Muck/Muff, of Ruprecht (Noord-Duitsland) of Schmutzli (Zwitserland)…

en ook niet Sjaak Sjoer (Noord-Brabant) of Zwarte-Klaas (Veluwe, Salland, Twente)…

en waarin verschilt ‘onze’ Zwarte Piet wel/niet van deze figuren…

en waarin wijken deze zwarte figuren allemaal weer af van Krampus (gehoornd, bokkepoten, bebloede lippen lange tong etc.) en andere eveneens meer duivelse zwarte begeleiders van Sint Nikolaas in de Alpen en de Balkan of BelNickel (→Duivelse-Klaas – Beëlzebub-Nicolaas) c.q. PelzNickel/BelzNickel (→Duivelse-Klaas in pelzen/dierhuiden gehuld) in o.a. Angelsksische landen ?

Zwarte Pier, Pietje de Dood

De naam Zwarte Piet is op zich niet eens zo lastig te verklaren…:

enerzijds is het een mogelijke/logische verbastering van van Père Fouettard (Vadertje Zweep) waarbij ’t Franse ‘Père’ niet werd verstaan/vertaald als ‘Pater’ maar verbasterd tot ‘Pier/Peer’ oftewel ‘Piet’…;

anderzijds sloot de naam Piet goed aan bij het Middeleeuwse (bij)geloof en die de dood (in al haar verschillende verschijningsvormen) een naam gaf. Zo had je naast Magere Hein die je kwam halen als je tijd gekomen was ook nog Pietje (de) Dood die je kwam halen als je mogelijk iets had misdaan dat je het leven niet meer waardig zou kunnen zijn. Deze Piet had dus te oordelen over goed en kwaad, het was dus dezelfde als (zwarte) Petrus (Petrus→Peter→Pieter→Piet) die waakte over de Hemelpoort.

Pietje de Dood en (de zwarte) Père Fouettard zijn zo in naam versmolten tot Zwarte Piet.

Heette Zwarte Piet ook voor 1850 al Zwarte Piet?

Tegenwoordig is het haast ondenkbaar dat we Zwarte Piet geen Piet noemen, we schijnen meer moeite te hebben met het feit dat hij al duizenden jaren zwart is dan met het gegeven dat hij Piet zou heten.

Maar nog tot ver in de vorige eeuw heette Zwarte Piet ook boven de Grote Rivieren niet altijd Zwarte Piet; In Groningen, Friesland & Westfriesland sprak men ook wel van Pietje Pik c.q. Pietje Pek (→pek of pik oftewel teer is pikzwart, net als roet), daarnaast sprak men in het Oosten en Noord-Oosten (→Veluwe, Achterhoek, Salland, Twente, Drenthe estellingwerven en Groningen) ook van Zwarte Klaas; ook de naam Ruprecht/Rupert kwamen m.n. in het Oosten van het land (→net als in de aangrenzende delen van Duitsland, zoals Westfalen en Bentheim) nog lang voor, net als Sjaak Sjoer in Noord-Brabant.

Namen als Pietje Pik c.q. Pietje Pek spreken voor zich, waarbij de woorden ≫Pek≪ danwel ≫pik≪ zijn feitelijk synoniem aan zwart.

Ook de benaming Zwarte Klaas is niet lastig te verklaren als samensmelting van (de door de reformatie in de ban gedane Roomse heilige) St-Nicolaas en zijn zwarte/duivelse begeleider.

Waar de naam Ruprecht/Rupert vandaan komt kan ik alleen nog maa gissen.

De in Noord-Brabant gebruikte benaming Sjaak Sjoer is op zich ook interessant en in plaatsen als Tilburg gaat de gedachte dat het een verbastering van het franse ≫chaque-Jour≪ zou zijn, dit lijkt me zeer onwaarschijnlijk, er zijn logischer verklaringen denkbaar

(⋙Sjaak Sjoër⋘ uitspreken als ⋙Sjaahk Sjoehwer⋘

→ ⋙Sjoer⋘ is daarmee mogelijk een verbastering van ⋙Sjouwer⋘ oftwel de man die met zak en roede zeult;

→ als andere mogelijke oorsprong wordt ook wel ⋙Chaque Jour⋘ frans voor ⋙Elke Dag⋘ genoemd, hetgeen dan in verbasterde vorm ⋙Sjaak Sjoer⋘ of kort ⋙Sjaksjoer⋘ geworden zou zijn, maar de aanleiding voor deze afleiding is vooralsnog even duister als deze naamsverbastering gezocht is; het zou dan zijn terug te voeren op schoorsteenvegers die in het stookseizoen ⋙elken dag⋘ oftewel ⋙chaque jour⋘ op het dak te vinden zouden zijn om slecht trekkende rookkanalen de vegen).

Toch gaat de naam Piet voor de zwarte/duistere begeleider van Sinterklaas al ver terug…,

in elk geval verder dan ’t boekje van Jan Schenkman uit ca. 1850.

Al in 1778 verscheen de bundel ≫Kleine gedigten voor kinderen≪ van Hieronymus van Alphen. In één van de gedichtjes, ≫Klaasje en Pietje≪ vlak voor de Kersttijd, vraagt Klaasje aan Pietje of hij als hij stout geweest zou zijn, bang is voor de zwarte man. Waarop Pietje Klaasje terecht wijst, want hij is niet (meer) bang, immers Sint & Piet bestaan toch niet.

≫Klaasje en Pietje≪ uit ≫Kleine gedigten voor kinderen≪ auteur Hieronymus van Alphen.

Uitgave 1778 – Beeldarchief Koninklijke Bibliotheek

 

Weliswaar wordt hier niet van ⋙Zwarte Piet⋘ gesproken, maar wie bedenkt dat Sinterklaas en Piet, als restant van verfoeilijk paapse heiligenverering, ten tijde van de Republiek grotendeels ondergronds/heimelijk gevierd moesten worden omdat de protestantse kerk een dergelijk feest feitelijk niet toestond snapt de ‘stille’ verwijzing van Hieronymus van Alphen direct.

Wat maakt ‘onze’ Zwarte Piet anders dan Père Fouettard en die andere zwarte/duistere begeleiders van St-Nicolaas?

Dat te verklaren wordt een stuk lastiger.

Wat is het verschil tussen onze Zwarte Piet en als die andere Zwarte-Piet-achtige begeleiders van Sinterklaas/St-Nicolaas.

Daarvoor moeten we alweer een stuk verder terug in de tijd. Terug naar de tijd dat de Franken al wel en de Friezen en Saksers nog niet gekerstend waren.

Onze Zwarte-Piet (Zwarte-Klaas en Ruprecht) staat nog vol in de heidense traditie van de Germaanse Oele. Ze zijn vrije ongeketende begeleiders die Wodan en zijn 8-benige paard Sleipnir hebben voor Sinterklaas en z’n over de daken vliegende schimmel.

Verder gedraagt Zwarte Piet zich nog precies als de Fries/Saksische Oele, de Uil, de Maan, de schoorsteen, je ziet hem niet (of alleen als hij het wil), onzichtbaar, zwart als de nacht, zo zwart als (en dus niet van) roet.

Père Fouettard, Hans Muck/Muff en Schmutzli zijn de verschijningsvormen van de geketende zwarte begeleider van Sinterklaas in (dat deel van) ‘Frankenland’ dat reeds in Romeinse Tijd nog voor de komst van de (Germaanse) Franken gekerstend was. Daar is Piet de door door Nikolaas overwonnen en geketende heidense ‘god’ (de heidense Oele) die nu het Christendom dienen zal door in opdracht van Sint de kindertjes bij de les te houden en desnoods te straffen. Daarnaast heeft Sint nog wel andere meer schrikwekkende begeleiders als de Kindervreter en nog zowat aan ontuig.

Krampus en consorten zijn weliswaar (even) zwarte/duistere begeleiders van St-Nicolaas las ‘onze’ Zwarte Piet, maar lijken verder eigenlijk in niets op hem; Krampus-c.s. hebben een (bijna) duivels uiterlijk; met horens, staart, bokkepoten en soms zelfs (vleermuis)vleugels lijken zij meer op Faun/Pan. Zij staan daarmee niet zozeer in de Germaanse traditie rond Oele en de Wilde jacht alswel een op waarschijnlijk dezelfde oertradities teruggaande winter- en vruchtbaarheidstradities van vroegere volkeren uit Alpenlande, Balkan en Mediterane volken. Toch zien we ook hier naast het zwart zijn van de begeleiders een groot aantal overeenkomsten in hun (heidense) rol naast de christelijke St-Nikolaas.

Ook is hun rol (als overwonnen duivels) duidelijker ondergeschikt aan de Sint; ze passen daarmee ook eigenlijk beter in de oude Griekse tradities van St-Nicolaas die als schutspatroon van zeelieden de duivel overwon (om die reden zou op veel oude, middeleeuwse, afbeeldingen waarin zeelieden St-Nicolaas om hulp bidden een Krampusachtig duiveltje boven in de mast of zeilen zijn afgebeeld).

Hoe en waarom heeft Zwarte Piet (maar ook Krampus)…

ondanks eeuwenlange onderdrukking en verbanning door de Kerk…

tot in de huidige tijd overleefd…

en hoe hebben ze hun karakter grotendeels weten te behouden?

Die vraag dringt zich natuurlijk op. Als Zwarte Piet eigenlijk een mythische heidense figuur is hoe kan het dan dat hij tot op de dag van vandaag nog gewoon heeft voortgeleefd in onze op christelijke leest en zeden geschoeide huidige samenleving met onze hedendaagse zeden en gebruiken?

Waarom heeft Oele c.q. Zwarte-Piet überhaupt nog steeds een plaats naast Sinterklaas?

Ook daarvoor moeten we terug naar de nog ongekerstende Germanen, de Friezen, Saksers, Franken. Ons Sinterklaasfeest rust voor een groot deel op de heidense/germaanse midwinterfeesten die gezamenlijk vaak worden omschreven als de Wilde Jacht (Joelfeesten ↔︎ Skandinavische Julfester); tradities waar na kerstening geen plaats meer voor was.

Kerstening van Oele tot Zwarte Piet…

… ik hoor je wel maar ik zie je niet.

De (latere Katholieke) Kerk was slim en verving waar maar mogelijk heidense tradities door nieuwe christelijke varianten rond dezelfde tijd van het jaar. Voor de Wilde Jacht kregen we nu de Kersttijd, Sinterklaas en Sint-Maarten. Wodan werd Sint-Nicolaas (en/of St-Maarten), zijn 8-benig paard een schimmel, zijn tovermantel een tabberd, zijn bliksemschicht een staf, zijn helm z’n mijter, z’n alwetendheid het grote Boek, zijn zak, de zak. enz.; maar wat te doen met Oele/Piet?

Van Oele/Piet moest de Kerk zo min wat hebben als van Fan/Pan/Krampus, maar ‘het_volk’ ‘besliste’ anders, immers onze Sinterklaastradities draaien eigenlijk in oorsprong veel meer om de zwarte-man dan om de Wodan/Sint…,

het gaat om het verhaal van maan, schoorsteen, offers/schoen, vruchtbaarheid/roede, nieuwe-oogst/geschenken; allemaal zaken waar Oele/Piet de belangrijkste schakel tussen mens en God(en) was/is.

De oplossing was simpel, Piet bleef buiten de Kerk werd nog onzichtbaarder dan hij altijd al was (kinderrijmpje: zwarte, zwarte Piet…, Ik hoor je wel… maar ik zie je niet…)…;

de Fries-Saksische Oele ging al gelijk bij kerstening ‘ondergronds’ en deed wat hij moest doen alleen van dat ongezien en ongemerkt aan Wodan door te brieven werd Sinterklaas nu voorzien van alle informatie. Vervolgens ging Oele/Piet weer naar de mensen met de gaven van Sint, rammelde aan de ramen bonsde deuren kwam ongezien binnen en verdween weer ongezien door deur of schoorsteen, bijna niemand die ‘m ooit ‘echt’ zag.

De Kerk, de Reformatie, Calvinisme en Sinterklaas

Dat Zwarte Piet al bij kerstening van van de Noordelijke Nederlanden (Friezen en Saksers) al vanaf de tijd van Karel de Grote ondergronds gegaan was bracht voor de ‘middeleeuwse’ Zwarte-Piet een paar onverwachte voordelen ten tijde van de Reformatie en het ontstaan van onze Republiek.

In het Calvinistisch Nederland van de Republiek was geen plek voor de aan afgoderij (bijna) gelijkgestelde katholieke heiligenverering. De Katholieken gingen ondergronds en konden bij gedogen kerken in z.g. schuilkerken, maar openlijk katholieke feesten vieren was er niet meer bij. Sint-Nicolaas-markten werden verboden, schoolkinderen waren niet meer een dag de baas met Sinterklaas, Sinterklaaskoeken (vrijers/vrijsters, paarden van speculaas, taai, pepernoten) konden niet meer zomaar openlijk als ‘sinterklaasgebak’ worden verkocht, voor speculaas was dat geen echt probleem (er kwamen schepen, kastelen, oliphanten kamelen) en pepernoten… ach. Maar Sinterklaas zelf kon zich natuurlijk ook nergens meer in het openbaar vertonen, wilde hij overleven dan diende hij net als Oele/Zwarte-Piet eeuwen eerder al had gedaan ondergronds te gaan, en dat deed de Sint dan ook; feitelijk zou je kunnen aannemen dat het verschijnsel van Zwarte Klaazen (en in minder mate BelNickels in Angelsaksische gebieden) een soort versmelting is van de Sint en zijn zwarte begeleider, waar Zwarte piet was was ook de Sint en beide waren zwart als de nacht zo zwart als roert onzichtbaar, maar kabaal maken deden ze nog steeds, en voor de kleintjes brachten ze nog steeds lekkers en cadeautjes, wie stout was moest vrezen in de zak te verdwijnen en voor de meisjes en jongens op vrijersvoeten waren die Zwarte-Klazen de onschuldiger varianten van de wildemans-feesten waarbij jongens de meisjes voor zich wonnen schaakten.

Slechts daar waar de kerk en stad ver weg waren, op de Veluwe, de Wadden en ander afgelegen (ongetwijfeld tot groot ongenoegen van kerkeraad, dominee en pastoor) nog half-heidense gebieden overleefden ook de wildemanstradities net als ze dat in de middeleeuwen hadden gedaan.

Na de Franse Tijd…

… godsdienstvrijheid en de emancipatie van Katholiek Noord-Nederland.

Met de instelling van algemene godsdienstvrijheid in Nederland na de Franse Tijd kwamen er ook weer Katholieke Kerken die prachten praal uitstraalden. Zo ook in Amsterdam waar de Nieuwe Sint-Nicolaas-Baseliek het verlies van de Oude (St-Nicolaas) Kerk moest goed maken. Amsterdam had voor de Reformatie St-Nicolaas als schutspatroon gehad en die traditie moest in ere worden hersteld; maar daarmee haalde je ook Sinterklaas en zijn vroeger al buitenkerkelijk trawanten bovengronds en daarmee het gevaar dat de inmiddels eeuwen ondergronds voorpruttelende voorchristelijke tradities van de wilde jacht en Oele ook de kop weer opstaken, als havenstad vol zeelieden en koopmannnen hoefden ze maar naar Fries-Hollandse Waddeneilanden te kijken om te zien hoe op Texel, Vlieland Terschelling, Ameland en Schier de voorchristlijke wildemansfeesten zich hadden ontwikkeld tot Alde-Sunde(r)kloas, Sundekloas, Sunderum, Sunnekloas met Klaas(heer)omes etc.; dergelijk ‘onzedelijk gedrag daar zaten ze in Mokum niet op te wachten. De enige figuur buiten de Sint zelf waar ze echter zelfs in Amsterdam niet heen konden was de tot Zwarte-Piet geëvolueerde figuur van Oele.

Oele was goedaardig en dat was dat als Zwarte-Piet, Zwarte Klaas of welke naam men hem ook gaf gebleven…;

en dat ondanks alle pogingen van de vroegere (Middeleeuwse) Kerk ‘m te verketteren tot een bijna duivelse figuur (geen kindervriend maar de bestraffende helper/beul van Sint-Nicolaas met de zweep of roede, de kwaadaardige Père Fouettard dus). ’t Feest mocht dan Sinterklaas heten, Piet was en bleef toch feietelijk de ster van de traditie, degene zonder wie Sint-Nicolaas niets hoorde van wat zich nij het haardvuur afspeelde, zonder wie hij dus niets wist, niets kon doen, geen pakjes bezorgen, geen zak met goede kon dragen, geen stoute kinderen erin stoppen, geen schip kon besturen, niets, helemaal niets…

≫Zwarte Piet≪ in zeemanskostuum

uit Sint Nikolaas en zijn Knecht – Jan Schankman (1850 – 1ste druk):

St. Nikolaas bij den Banketbakker

(→ dus net zoals nu nog steeds sommige zwarte helpers van St-Nicolaas in bepaalde delen van Italië zijn uitgedost…; Schenkman had zich dus best goed gedocumenteerd maar waar bij blijkbaar geen rekening had gehouden was dat zo’n mediteraan matrozenpakje met een half ontbloot bovenlijf natuurlijk veel te koud voor publieke optredens van zijn niewerwetse ‘Zwarte-Piet’ in december in Mokum)

… en samen met Sint kwam hij voortaan helemaal uit het verre Spanje varen, in een hypermoderne stoomboot. In ons land gingen ze dan verder met een al even nieuwerwetse vinding van de stoomtrein en zelf verplaatste het tweetal zich met een luchtschip onder een heuse luchtballon.

Een groot succes, Sint en piet in moderne Amsterdamse 19de eeuwse snit.

Kortom Sint kon niet zonder Zwarte-Piet, dus moest Zwarte-Piet in een modern geciviliseerd jasje worden gestoken, en dat is wat Schenkman deed, hij maakte van Zwarte-Piet (zonder ‘m zo te noemen) een moderne Moorse (zwarte) zeeman, compleet in zeemanskostuum en gouden zeemansoorring(en)…

Daar stijgt hij op ’t paardje per luchtbal omhoog

uit Sint Nikolaas en zijn Knecht – Jan Schankman (1850 – 1ste druk):

St. Nikolaas vertrekt

Einde verhaal…?

Nee, niet helemaal, want de rest van het land kende Zwarte-Piet wel (ook werd hij overal weer bij een andere plaatselijke naam genoemd) maar van al die nieuwerwetse Amsterdams-Hollandse fratsen wist men niks of moest man niets hebben.

Hun eigen Zwarte Piet rammelde nog met kettingen aan ramen en deuren, joeg kindertjes de stuipen op het lijf, werd nog steeds niet gepruimd door de dominee (en zelfs niet door meneer pastoor), ook had hij ook niet altijd zo’n mooi mediterraan matrozenpakje aan…;

(al was het maar omdat dat met zo’n half ontbloot bovenlijf natuurlijk veel te koud was voor december in Mokum en ook de rest van het land, geen Piet die zo met Sint de straat op wilde)

bovendien droeg die nieuwerwetse Amsterdamse Piet geen mantel, had hij niet eens eens roede, en al helemaal geen doorbloede/bebloede lippen (doorbloed van geiligheid, danwel langs de lippen druipend bloed van net verorberd stoutekinderenvlees).

Gelukkig kreeg de Amsterdamse Piet kreeg al gauw, in één van de herdrukken van Schenkmans boekje, een ander pakje, ongeveer hetzelfde 16-eeuwse pakje dat de stadsherauten van Mokum bij feest en hoogtijdagen droegen en dus ook bij de intocht van St-Nikolaas (stads hervonden schutspatroon) compleet met mantel en pet.

In zo’n mooi pakje wilde Zwart-Piet zich overal wel vertonen en langzamerhand veroverde de zo geklede Piet het hele land. Daar kreeg hij ook de roede en rode doorbloede lippen terug, her en der zelfs een zweep of kettingen om zijn ouderwetse beulswerk naar behoren te kunnen doen.

Tegelijkertijd raakte Zwarte_piet meer en meer losgezongen van zijn voorchristelijke wortels van Oele:

In z’n mooie herautenpakje was de de link met het verleden steeds lastiger te leggen, hij was zwart, maar waarom eigelijk,

en je zag ‘m nooit…, maar bij de intocht van Sint en overal waar die ging was hij niet van diens zijde te slaan en dus dan ook juist wel heel zichtbaar.

Gelukkig waren de meeste gezinnen niet bemiddeld genoeg om zich een verklede (betaalde) Sinterklaas in huis te halen en was de Rommeldebommel-op-zolder-Piet die aan ramen en deuren rammelde en bonsde nog lang een graag (on)geziene gast die plomverloren strooigoed de kamer in smeet (in d’een of ander hoek) waarna een mand/zak met goede gaven werd achtergelaten in keuken, schuur, gang of zelfs de woonkamer waar toevallig vanwege het rumoer elders in huis op dat moment even niemand meer was.

Dat Piet en de heidense Oele één en dezelfde waren was in het gemoderniseerde en geciviliseerde interklaas feest eigenlijk niet meer te herkennen…

en dat ondanks het feit dat Piet net als Oele nog steeds precies hetzelfde deed als bij de heidense Friezen en Saksers en dat er geen sinterklaasliedje kan/kon zonder schoorstenen, pikzwarte (onzichtbaar in het donker) Pieten, schoenen sokken, peen, stro, maan, pepernoten, haardvuur, zingen en (af)luisteren, oplichtende ogen in het donker en over daken vliegende paarden, mantels, zakken, roedes en bliksemstaf.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.