De klompenfabriek voor Ataturk

De klompenfabriek voor Ataturk,

reisverslag naar Turkije van achteroom Klaas Raven

De reis naar Turkije

20 juli 1946

Dinsdagavond.

Het zal er nu van komen. Harry van Kasthoven is gearriveerd. De Kruimers zijn van de overkant gekomen en van Timme zijn ze nog even goeden dag komen zeggen, de vrienden gaan naar huis, wij kleden ons aan. Corry en Sytje brengen ons naar de trein, instappen- we gaan- en: tot september.

Amsterdam, Leidsche plein, 23.20 uur, KLM bus rijdt naar Schiphol. Douaneregelingen. Wegen van bagage, waarbij blijkt dat we ongeveer 15 kilo meer dan 60 hebben en dus F78,40 moeten betalen. (F5, per KG) Dat hebben we niet, ieder zowat F30,- dus zal de vracht van huis uit per giro betaald worden. Na twaalven zijn alle formaliteiten klaar en we krijgen ieder 3 sneden wittebrood met kaas, en koffie. 0.50 uur moest het vliegtuig vertrekken, maar het wordt over enen eer het wordt afgeroepen. We treden binnen. Er zijn 13 passagiers. Het vliegtuig is overeenkomstig de plaat die we thuis hebben. Er is een juffrouw , de stewardess, later blijkt dat ze crevevoeur heet, de steward, Maas en de kapitein Wryms, een van de oudste vliegers.

Er komt lawaai, de propellers gaan draaien, we rijden een hele tijd en we voelen en we zien, dat we van de grond gaan. De lichten buiten zien we steeds lager. We aan over een stad: een figuur van witgele en rode stippen en strepen. het is een hele sensatie. We hebben van de stewardess ieder een doosje kauwgom gekregen. Dat moet goed zijn voor de oren. We zien wat en we praten wat en we proberen te slapen. Ieder krijgt een deken. Een tweede deken rolt uit het rek boven mij en komt naast mij terecht. Daar maak ik ook nog gebruik van en ik zet mijn hoed op want het is koud. De lichten gaan uit. Ik vergat nog te schrijven dat we onszelf voor vertrek met een riem aan de stoel vastsnoerden om bij  eventueel plotseling stoppen, niet voorover te schieten.

Met verlichte letters wordt in het Engelsch gevraagd: niet rooken en riemen vastmaken. Achterin bij de keuken blijft het licht aan en zo is er schemering.

Bepaald slapen doet men zo niet, daarvoor is veel te veel trilling, maar toch is men geregeld zowat “weg” en ongemerkt is het 4 uur geworden. Buiten wordt het al iets licht en we zien een vreemd landschap. Waarschijnlijk zijn we boven Zuid Frankrijk. We zie bergen, lichtjes en water, waarschijnlijk de Middellandse zee. We soezen nog wat en beginnen meer te kijken, naarmate het lichter wordt. We begrijpen dat we boven de wolken vliegen , want we zien die beneden ons  en daaronder de aarde. Soms lijkt het alsof de wolken op het water liggen of op de bergen, want we zien de afstand niet, die de wolken daarvan scheidt. Op het water maakt dit een indruk van grote vlokken zeep en Persil, die op het water drijven, dat klaar staat voor de was.

Om half 6 komt de stewardess vragen of we bij het ontbijt thee of koffie willen. Ik kies thee. Het ontbijt brengt zij op een blad.

een kop thee

een beker vruchtensap

een sneetje cake met rozijnen

twee sneetjes heerlijk brood en twee belegde kadetjes

een kartonnetje marmelade

een perzik en

een doosje Droste pastilles

Om 6.20 uur is het riemen vast!

We gaan dalen. We komen over een grote bebouwde oppervlakte, zo ruim dat het een stad lijkt. Ik zie een gebouw, dat volgens de afbeeldingen, de St Pieter van Rome kon wezen, en werkelijk, het blijkt Rome te zijn. Om 6.45 dalen we op het vliegveld Rome. We gingen steeds lager, een gedeelte van de vleugel werd op remmen gesteld, we voelden de aanraking met de grond en we reden: rijden, rijden, rijden, rijden en ho!

Paspoorten afgeven en eruit! Hier is het geen 6.45 maar 7.40 uur

Ik verzet mijn horloge niet, dat ga ik in Istanboel doen. De stewardess brengt ons over het vliegveld in een gebouw, dat nog afgewerkt wordt en we drinken daar koffie. Het hele vliegveld hier is nog in de maak net als Schiphol; het is in de oorlog ook vernield. Naast ons zijn metselaars bezig met grote moppen ruwe zandsteen een gebouwtje op te trekken. Sommigen hebben niet anders dan een klein broekje en een paar sloffen. De lucht is onbewolkt en er is geen wind. Tal van vliegtuigen komen aan uit alle delen van de wereld.

We vernemen hier dat we niet direct naar Istanboel zullen gaan, doch in Athene een paar gestrande passagiers zullen ophalen. Ook hier zijn enige passagiers bijgekomen.

Zowat 20 zijn er nu. 8.20 uur (op mijn horloge) vertrekken we. Om 9.10 uur krijgen we koffie met gebak en een klein doosje Haagse Hopjes.

We passeren Napels met de golf van Napels doch sterven niet en zien even later de Vesuvius en zijn krater en op de hellingen vele sporen van lavastromen, die weer geheel begroeid zijn.

Als we naar beneden kijken komen we tot  gedachten van: ongedacht, onuitsprekelijk en fantastisch mooi! Het land lijkt uit stukjes te bestaan, als een legkaart tegen elkander aangelegd. De kleine bochten zien we niet, dus alles lijkt recht. Wegen lijken brandslangen, die door het landschap heen zijn gelegd.Zij slingeren zich over bergen en en bossen en groene tapijten, huizen zien eruit als een blokkendoos. Mensen en dieren merken we niet op. Meermalen zag ik op afbeeldingen en schilderijen blauw water en dacht: dat is onwaar. Echter zien we hier het water licht- en donkerblauw, soms groen. Een groene rivier die zich in een blauwe zee stort.

Het is niet te beschrijven, wat we allemaal zien en hoe mooi het is. We krijgen een biljetje dat we moeten doorgeven. Daar staat op dat we vliegen 350 km per uur  en dat we om 12.15 uur, dat is op mijn horloge ongeveer kwart over 11, boven de Straat van Korinthe zullen komen.

Om 11 uur krijgen we een glas sherry, het mocht ook een borrel zijn en men kan zelfs een tweede bekomen, als men wou. Ook werden er nu en dan sigaretten gepresenteerd, bijv. Voor Rome, om tijdens het verblijf aldaar te roken

Daar bij Korinthe is de aanblik overweldigend! Een blauwe zee, waaruit eilanden en eilandjes als groene , bruine en gele rotsen oprijzen.

Om 11.30 uur is het riemen vast en om 11.40 uur zijn we op het vliegveld Athene. Hier waait het hard, maar het is niet koud. Het vliegtuig heeft dan ook gedanst, toen het boven de straat van Korinthe kwam. Sommigen werden luchtziek; daar zijn papieren zakken voor.

Hier ging het zoals te Rome. De stewardess nam ons mee in een lokaal, waar we allemaal een bon kregen voor een kleien verfrissing, die verkrijgbaar was in de vorm van een glas citroenlimonade. De steward presenteerde sigaretten. Wachten duurt lang in een ongezellige omgeving en toen het wachten voorbij was , wachtten we weer lang in het vliegtuig, dat door het stilstaan in de zon hoe langer hoe warmer werd. Inmiddels zagen we een gezelschap van ongeveer 30 Nederlandse vrouwen en kinderen, dat daar per gecharterd vliegtuig werd vervoerd naar Nieuw Guinea waar de mannen al waren, en welke reis een dag of zeven zou duren, vertrekken.

We werden verzocht met een verontschuldigende toespraak van de gezagvoerder, om weer uit het vliegtuig te gaan, omdat het daarbinnen veel te warm zou worden. Het oponthoud zou nog wat langer zijn wegens een gebleken noodzaak van een reparatie, want de starter van een der motoren wilde niet.

Iedereen was blij toen we om 13.45 uur weer opstegen in Athene en vandaar zou het nog 1,1/2 uur tot aan Istanboel zijn.

Intussen hadden we ook flink honger gekregen en gelukkig werd er om kwart over twee de lunch rondgebracht. Deze bestond uit: een weinig aardappel frite,

Doperwten

Enig vlees

Gebak en een perzik.

We gaan weer over een zee en een landschap, berghachtig, hier en daar bebost, zeer dun bevolkt lijkend, en dan zien we ons einddoel het vliegveld van Istanboel.

Onder aan de trap staat Mr Avanduk, die blijkbaar zeer verheugd is, ons te zien. Hij is in gezelschap van zijn boodschapper, die behulpzaam is bij deed aangiften in de douaneloods, welke daardoor zeer vlot verloopt, hetgeen nog is bevorderd, doordat een familielid van de heer Avanduk hoofd der Istanboelse politie is. Deze heer was in de douaneloods aanwezig en gaf de douanen, zoals wij later begrepen een seintje. Wij verlieten daardoor als eersten de loods.

Het viel ons op, dat de boodschapper de politiechef  bij het afscheid de hand kuste.

Met zijn vieren en de chauffeur  namen we plaats in een taxi, die nog drie kwartier werk had om ons in Istanboel te brengen en toen we daar waren, moest ik mijn horloge zover  vooruitzetten , dat het 7 uur was. Onderweg zagen we een landschap  als in de omgeving van Nijmegen en mensen en dieren die we op de dagen van ons verder verblijf zullen beschrijven. We zijn aangekomen in het Parkhotel hebben daar een bad genomen en nog wat brood gegeten en daarna geslapen van 9 uur tot kwart over 6.

Door de vliegreis waren we eigenlijk in het geheel niet vermoeid.

Donderdag 22 juli 1948

De eerste dag in Istanboel. Kwart over zes ben ik wakker geworden en opgestaan. Van enige vermoeidheid is geen sprake. We hadden gisteravond voor het naar bed gaan een bad genomen en waren daarvan heerlijk verfrist. Er was natuurlijk koud en warm water en het koude water is hier niet te koud om zonder enige tegenzin na het bad een koude douche te nemen. Van negen uur af aan  had ik aan een stuk doorgeslapen met de warandedeuren geheel open.

We ontbijten na half negen.  Tot z lang heb ik in dit boek de reis beschreven. Mr Enver, de boodschapper van Mr Avanduk, komt ons halen. Het ontbijt was koffie of thee , geroosterd brood, marmelade , boter en witte kaas dat lijkt wel wat harde wrongel en het smaakt best.

We gaan per taxi naar de boot en daar wacht ons Mr. Avanduk.. Hij heeft zijn kantoor in de stad, waas hij ‘ s winters ook woont. In de zes zomermaanden woont hij op een eiland in de zee van Marmora. Om half tien vaart de boot af langs verschillende plaatsen en is om kwart over tien te Kandili waar we zijn moeten. Hier zijn we op de Aziatische oever van de Bosporus.

De Dardanallen, de zee van Marmora, de Bosporus met de Gouden Hoorn, omringd door bergen waarvan de hellingen bebouwd zijn met paleizen , villa’s, huizen en krotten, waartussen bossen en ruïnes, vormen een zo groots en prachtig geheel dat degene die dit eenmaal met aandacht heeft aanschouwd, het zijn hele leven niet meer vergeten zal.

Het water is blauw en zo helder dat men onder stilstaand of zacht kabbelend water, de bodem  ziet en de vissen ziet zwemmen. Er is veel stroom en soms zware golfslag.

Grote moderne zeestomers, kleine boten. Visscersscheepjes en roeiboten bevolken dit water en vele passagiersboten waaronder nog enkele raderboten onderhouden het verkeer tussen de beide oevers en de kleinere plaatsen die er behalve Istanboel liggen.

Het geheel is behalve mooi ook ongekend levendig en de prachtige maas, noch het mooie IJ kunnen dit evenaren.

Te Kandili verlaten wij de boot en komen we langs een weg vol romantiek , wegens  bergen, hellingen, steenbokken  en ruïnes,m aan het gebouw dat de klompenfabriek moet worden en dat daarvoor zo keurig is ingericht dat ik de meeste van onze klompenmakers graag zo’n mooie ruime en lichte werkplaats zou gunnen, met ijzeren ramen en deuren en een beste betonnen vloer. Ik zo wat aanwijzingen geven en leer onderhand wat van de Turkse taal:

1 bier water soe
2 eque brood ekmek
3 uuts kom hier boeraja   kel
4 durt `
5 bes

 

Na 12 uur keren we met de heer Avanduk terug naar de stad en eten met hem, waarbij ik mijn kennis van de Turkse taal vermeerder met pilow, hetgeen gekookte rijst betekent.

Hieruit valt op te maken dat we rijst hebben gegeten wat ons bijzonder goed smaakte.

Rijst groeit in Turlije, het mag niet uitgevoerd worden, maar bij vertrek zal het misschien toegestaan zijn 1 kilo mee naar huis te nemen. Verder hadden we lamskoteletten met een enkel aardappeltje en een beetje soep. Tot slot watermeloen,  zo groot alsof je een halve rode kool zit op te eten, gat schijnt hier in voldoende mate te groeien.

We zijn met de heer Avanduk meegegaan naar zijn kantoor om nog een paar dingen te bepraten. Onderweg komen we langs een textielmagazijn  van diens jongsten broeder en de beide heren begroeten elkaar met kussen op de wangen, wat hier zo schijnt te horen. Hier is van alles in overvloed te koop maar naar het ons voorkomt, vreselijk duur en onbereikbaar voor het arme volk. Dat verdient hier 30 `a 40 pond ( ongeveer gelijk aan de gulden) per week , soms meer tot 60, dus zowat evenveel als in Nederland een arbeidersloon bedraagt. Echter schijnt dit nog meneer dan in Nederland onvoldoende te zijn om er een menswaardig bestaan voor te kopen.

Het armste deel van de bevolking ziet er verschrikkelijk uit. Men ziet velen in lompen die men nog te slecht zou achten om aan de voddenman, of zelfs de vuilnisman te geven. Men loopt soms op sandalen, dat zijn de klompen waarover we in het boek over Turkije lazen, soms op gedeelten van schoenen en velen gaan barrevoets.

Deze mensen zijn sjouwers. Sjouwen kan men hier bijzonder goed. Met hele grote manden op de rug, met koperen platen, met 3 balen cement komt men mensen, sterk voorovergebogen tegen. Tot 150 1a 200 kilo toe wordt hier gedragen. Het is voor ons  met verbazing en evenzeer meewarig om naar te kijken.

We zijn per taxi weer naar het Parkhotel gegaan en hebben gegeten alsof we te bruiloft waren en zijn daarna eens anderhalf uur rond gaan wandelen, voornamelijk door de armelijke buurten.

Van Kaathoven vindt, dat we leven als prinsen.

Terwijl we hier de armsten zien in zulke armelijke omstandigheden als wij in Nederland niet kennen, zijn in de stad opvallend veel taxi’s allemaal mooie nieuwe Amerikaanse auto’s. De meeste straten zijn niet breed, vele zijn hellend, soms tamelijk sterk, en daardoor rijden de elektrische trams , verbazend veel taxi’s , wat wagens met paarden ervoor en krioelt het van het volk.  Fietsen ziet men bijna niet. ‘t Is ook geen doen, om per fiets door die drukte heen te gaan.‘t Is hier op straat veel drukker dan in Amsterdam.

‘t Is zowat als in Brussel op woensdag en dan op de drukste punten. Van alles kan men op straat kopen en langs de straten vindt men winkeltje naast winkeltje. Opvallend veel meloenen zijn er te koop en men ziet velen met brood naar huis gaan. Misschien maken brood en meloen, tenminste in de zomertijd het hoofdvoedsel uit. Waarschijnlijk is er niet veel melk en zijn er weinig muizen. Er zijn zoveel katten en die zien er allemaal zo ellendig uit  dat onze kat daarbij vergeleken, in de zomer, als wij haar zo mager vinden, een vorstelijke verschijning is.

 

Wanneer ik een prins was zou ik het mijn plicht achten al mijn invloed aan te wenden om te bevorderen dat de allerarmsten in de wereld uit hun ellende worden opgeheven.

 

Vrijdag 23 juli 1948

E hebben de fabriek bezocht, waartoe we vanzelfsprekend weer per boot naarKandili moesten. We zijn nu per tram naar de kade gegaan, lijn 16. Voor de fabriek is een binnenplein en daar wordt een betonnen vloer opgelegd en de toegangsweg naar de fabriek wordt verbeterd.

E#en boerenjongen is bezig het nodige zand van de hoofdweg af naar de fabriek te vervoeren. De weg stijgt tamelijk sterk. Hij doet zijn paardjes hangen en als hij ermee boven is, op de binnenplaats, maakt hij een touw los, waardoor de manden omvallen en met een plons leeglopen. Het paardje schrikt er niet van, het is eraan gewoon. De jongen loopt op blote voeten over de scherpe stenen, het paardje heeft geen hoefijzers onder de hoeven.

Twee mannen met sterke helpers zijn bezig om de boel in orde te maken. De oudste is een Turk als van een plaatje. Hij heeft een gebreid mutsje op , een zeer typisch gezicht en houdt  blijkbaar met een schaar baard en knevel kort. De ander heeft een oog en een snor. Zij doen altijd zeer onderdanig.

 

Boven de fabriek staat een groot houten huis. Daar woont een Engelse ingenieur in. Als men op het dak van de fabriek gaat, komt men op de berghelling en men vindt daar een vijgenboom. Verbeeld je: op het dak! Ook is er een tuintje waar augurken in groeien We hebben wat armoeiige schapen en rundvee gezien. De natuur is prachtig, dat denkt men de hele dag. Om half een gingen we met de boot naar een volgende aanlegplaats, omdat we daar eten konden. We aten vlees met schijfjes tomaat, aan een stokje geregen, met de tomaat ertussen en zo gaar gegrild. Het smaakte best. Wat aardappel frite erbij en verder weer meloen. Onder het andere eten door neem je wat brood. Wandelend zijn we terug gegaan, we liepen en kwartiertje. Onderweg was nog een klein paleisje van de vroegere sultan. Aan zijn grote paleizen had hij blijkbaar b=niet genoeg en zo waren er hier en daar op mooie punten nog wat kleine verblijven gebouwd voor bijzondere uitstapjes.

We hebben de dag wachtende en metende doorgebracht en maandag zal het zover zijn dat de kisten uitgepakt kunnen worden. Dan zal er tocht  eens wat gebeuren moete. Per boot en verder per taxi zijn we weer in ons hotel gekomen en ‘s avonds hebben we geschreven, verder op mijn kamer thee gedronken met brood en gebak erbij. Tweemaal een volledige maaltijd, zoals we gister gebruikt hebben is te veel.

Om half tien gingen we naar bed. Het is nu zaterdag kwart voor acht en tot maandag zullen we zondag houden behoudens het doen van een paar boodschappen.

 

Zaterdag 24 juli

We zijn onder begeleiding van Enver, de boodschapper, die ons om 8.15 uur weerkwam halen, de stad ingegaan om verschillende boodschappen te doen. Heel best ging het met de boodschappen niet maar nochtans hadden wij een interessante morgen.

Ik wilde bij het SKF agentschap vragen naar kogellagers 2307 en 2307F, doch dit filiaal schijnt ‘s zaterdags gesloten te zijn. Aan een paar andere adressen waar we toevallig langs kwamen, had men de verlangde nummers niet.

Bij de Hollandsche bank Unie wilde ik namens de heer Mol de directeur, mijnheer Jongejans de groeten zegen, doch hij was afwezig. Ik zal het in de loop van de volgende week weer proberen.

Om de kist met mallen te krijgen bezochten wij de agent van de stoomvaart maatschappij, de firma Dabcotitch, die voor het vrijmaken enzovoort zou zorgen.

Onderweg zagen we aan de kade een heel groot stoomschip dat blijkens de passagiers die op de boot stonden te wuiven naar verwanten op de kade, die morgen zou vertrekken. Het was  interessant om dit te zien en de atrractie werd nog vergroot door een jongen die in zwemcostuum aan een scheepskabel, gespannen van een schip naar de wal, hing, zich vasthoudens met handen en voeten en zo naar boven klimmende.

We zijn per autobus naar ons hotel gegaan en hebben heerlijke rijst gegeten met een en ander daarbij, een bijzonder goed maal vormende.

Daarna zijn we , zoals dat op de zaterdagmiddag past, de stad ingegaan, met de bedoeling, een plattegrond van Istanboel en wat stadsgezichten te kopen. Het is in de stad gezellig druk. Je kan de mensen aanzien dat het idee van zondag er in zit. Ze lopen er zo maar en schijnen er allemaal netjes uit te zien. De mensen die hier geld en zorg aan hun kleding besteden, zien er in het algemeen keurig  uit. Ook hier hebben de dames alweer halflange rokken. De indruk die de bevolking geeft is keurig. Jammer maar dat een deel zo ellendig arm schijnt te zijn. We zien er gaan op een schoen en een slof zowel als barrevoets. Barrevoets ook op ongeplaveide wegen, die vol scherpe stenen liggen. Vele vrouwen, die hier een lap in een broek of een ander kledingstuk zetten schijnen daarbij niet naar de kleur te kijken. Een zwartbruine broek met lichtgrijs zitvlak is hier een vaak voorkomennde combinatie, zowel als dergelijke rariteiten.

D winkels zijn van alles voorzien. De meest luxe voorwerpen zijn te koop, koelkasten, elektrische zeilwrijvers en alles wat men in de allermodernste huishouding kan denken. Stoffen voor kleding in enorme sorteringen en bijvoorbeeld een tamelijk grote winkel waar enkel knopen te koop zijn. Bloemenverkopers en schoenpoetsers stofferen de straten en er zijn verbazend veel uitstallingen met fruit: pruimen, noten, pinda’s en zoveel meloenen of de wereld er voor leeggeplukt is.

Boven de fabriek staat een groot houten huis. Daar woont een Engelse ingenieur in. Als men op het dak van de fabriek gaat, komt men op de berghelling en men vindt daar een vijgenboom. Verbeeld je: op het dak! Ook is er een tuintje waar augurken in groeien We hebben wat armoeiige schapen en rundvee gezien. De natuur is prachtig, dat denkt men de hele dag. Om half een gingen we met de boot naar een volgende aanlegplaats, omdat we daar eten konden. We aten vlees met schijfjes tomaat, aan een stokje geregen, met de tomaat ertussen en zo gaar gegrild. Het smaakte best. Wat aardappel frite erbij en verder weer meloen. Onder het andere eten door neem je wat brood. Wandelend zijn we terug gegaan, we leipen en kwartiertje. Onderweg was nog een klein paleisje van de vroegere sultan. Aan zijn grote paleizen had hij blijkbaar b=niet genoeg en zo waren er hier en daar op mooie punten nog wat kleine verblijven gebouwd voor bijzondere uitstapjes.

We hebben de dag wachtende en metende doorgebracht en maandag zal het zover zijn dat de kisten uitgepakt kunnen worden. Dan zal er tocht  eens wat gebeuren moeten. Per boot en verder per taxi zijn we weer in ons hotel gekomen en ‘s avonds hebben we geschreven, verder op mijn kamer thee gedronken met brood en gebak erbij. Tweemaal een volledige maaltijd, zoals we gister gebruikt hebben is te veel.

Om half tien gingen we naar bed. Het is nu zaterdag kwart voor acht en tot maandag zullen we zondag houden behoudens het doen van een paar boodschappen.

Zaterdag 24 juli

We zijn onder begeleiding van Enver, de boodschapper, die ons om 8.15 uur weerkwam halen, de stad ingegaan om verschillende boodschappen te doen. Heel best ging het met de boodschappen niet maar nochtans hadden wij een interessante morgen.

Ik wilde bij het SKF agentschap vragen naar kogellagers 2307 en 2307F, doch dit filiaal schijnt ‘s zaterdags gesloten te zijn. Aan een paar andere adressen waar we toevallig langs kwamen, had men de verlangde nummers niet.

Bij de Hollandsche bank Unie wilde ik namens de heer Mol de directeur, mijnheer Jongejans de groeten zegen, doch hij was afwezig. Ik zal het in de loop van de volgende week weer proberen.

Om de kist met mallen te krijgen bezochten wij de agent van de stoomvaart maatschappij, de firma Dabcotitch, die voor het vrijmaken enzovoort zou zorgen.

Onderweg zagen we aan de kade een heel groot stoomschip dat blijkens de passagiers die op de boot stonden te wuiven naar verwanten op de kade, die morgen zou vertrekken. Het was  interessant om dit te zien en de attractie werd nog vergroot door een jongen die in zwemkostuum aan een scheepskabel, gespannen van een schip naar de wal, hing, zich vasthoudend met handen en voeten en zo naar boven klimmende.

We zijn per autobus naar ons hotel gegaan en hebben heerlijke rijst gegeten met een en ander daarbij, een bijzonder goed maal vormende.

Daarna zijn we , zoals dat op de zaterdagmiddag past, de stad ingegaan, met de bedoeling, een plattegrond van Istanboel en wat stadsgezichten te kopen. Het is in de stad gezellig druk. Je kan de mensen aanzien dat het idee van zondag er in zit. Ze lopen er zo maar en schijnen er allemaal netjes uit te zien. De mensen die hier geld en zorg aan hun kleding besteden, zien er in het algemeen keurig  uit. Ook hier hebben de dames alweer half-lange rokken. De indruk die de bevolking geeft is keurig. Jammer maar dat een deel zo ellendig arm schijnt te zijn. We zien er gaan op een schoen en een slof zowel als barrevoets. Barrevoets ook op ongeplaveide wegen, die vol scherpe stenen liggen. Vele vrouwen, die hier een lap in een broek of een ander kledingstuk zetten schijnen daarbij niet naar de kleur te kijken. Een zwartbruine broek met lichtgrijs zitvlak is hier een vaak voorkomende combinatie, zowel als dergelijke rariteiten.

D winkels zijn van alles voorzien. De meest luxe voorwerpen zijn te koop, koelkasten, elektrische zeilwrijvers en alles wat men in de allermodernste huishouding kan denken. Stoffen voor kleding in enorme sorteringen en bijvoorbeeld een tamelijk grote winkel waar enkel knopen te koop zijn. Bloemenverkopers en schoenpoetsers stofferen de straten en er zijn verbazend veel uitstallingen met fruit: pruimen, noten, pinda’s en zoveel meloenen of de wereld er voor leeggeplukt is.

Met onze stadsgezichten zijn we om een uur of zeven naar het hotel gegaan en daar hebben we thee besteld met nuttige en lekkere dingen daarbij.Nadat we ons daarmee een uurtje hebben bezig gehouden zijn we aan het schrijven gegaan tot bedtijd toe, die is bij ons niet laat: zowat 10 uur.

 

Zondag 25 juli 1948

We zijn niet te  vroeg opgestaan en hebben op ons gemak ontbeten, Dat zouden we thuis, als we er zo lang de tijd voor namen, doen met een krant erbij. We kunnen hier echter geen kranten kopen die we lezen kunnen. We weten van het wereldgebeuren dan ook niets af. Blijkbaar is dat wel rustig ook. De kranten thuis verwekken toch altijd te veel sensatie. Er zijn wel kranten te koop hier. Stalletjes op de hoeken der straten verkopen ze en jongens lopen door de straten te roepen met grote pakken nieuwsbladen. Zoals in de week  zijn de schoenpoetsers druk bezig. Op de straat zitten zij met  een draagbare installatie, een houten kastje  met koperwerk opvallend mooi opgemaakt, waarin borstels zitten en verscheidene doosjes en flesjes. Verder zijn er veel poetswinkeltjes. Stel je voor: een winkel van 3,5 meter lang en 1.5 meter diep. Daar 4 zetels in en voor iedere zetel een schoenpoetser. Deze hadden het allemaal erg druk. Zodra een klant vertrok nam een ander diens plaats weer in. Terwijl de  poetser poetst kijkt hij ook naar de voeten van de voorbijgangers en ook naar hun gezichten waarbij natuurlijk de bedoeling  voor zit: ’t is hard nodig dat ge binnen komt.

Van Kaathoven zou naar een RK kerk gaan. We hadden er een paar gezien. Eerst zou ik met hem mee gaan maar onderweg dacht ik: van het latijn begrijp ik niets en van de rest versta ik helemaal niets , dus zal ik het maar niet doen. Terwijl hij binnen was , ben ik maar wat rond gegaan tot  het afgesproken uur: kwart over elf. Daarna hebben we wat gelopen naar een aardig straatje  wat ik inmiddels had gevonden. Het straatje was precies een roman: winkeltjes met  vruchten, brood en bloemen waarmee het straatje geheel  was gevuld, nauwelijks genoeg ruimte latend aan de bezoekers. Op het einde was er een caf’e met een terrasje, aan twintig personen plaats biedend, waaraan we een uurtje gevolg gegeven hebben. We zaten er heel gezellig.

Toen zijn we gaan wandelen, heel lang. We dronken onderweg eens wat en kochten chocolade en pinda’s. Eindelijk kwamen we terecht op een groot plein, waar de Universiteit stond en daar hebben we de tram terug genomen, tot op korte afstand van het hotel.  Daar kwamen we om een uur of zes aan. We hebben een uurtje genomen om ons te wassen en toen zijn we beneden in de grote restauratiezaal gaan eten van 7 tot 10 uur.

 

Deze zaal is heel groot en mooi mat een keurige waranda  die een prachtig uitzicht geeft op de Bosporus en de zee van Marmora. Dat uitzicht is zo mooi dat men er niet op uitgekeken raakt.  We hebben een zondagsmaal genomen met een fles Rijnwijn erbij en aten :

Een heel goede soep

Rijk met lamsvlees

Vruchtencompote

Koffie en gebak toe

Terwijl de ingang van het hotel gelijkvloers met de straat is en men ook zonder trap de zaal binnenkomt, is deze aan de andere zijde heel hoog boven de straat gelegen. Van de waranda af keken we naar beneden op straat. Dit komt doordat het hotel op een berg is gebouwd.

Beneden was ook weer een zaal en daar werd een bruiloft gevierd wegens een huwelijk dat de dag daarvoor gesloten was. Men schijnt hier bij voorkeur op zindag te trouwen omdat dan alle belangstellenden de tijd hebben. Een paar bedelmeiden van een jaar of 17 komen op het geluid van de muziek af, blijkbaar in de hoop om iets te krijgen waartoe zij alle mogelijke malle grollen en dansbewegingen maken. Een der meiden kan opvallend luid met de vingers knippen. Een enkel muntstuk en een sigaret is hun loon. Men ziet hier lang zo veel niet roken als bij ons, en door vrouwen heel weinig.

 

Maandag 26 juli 1948

Vandaag is eigenlijk onze eerste werkdag. We zijn om 8.15 uit het hotel gegaan. Tot 10 uur hebben we werk om aan de fabriek te komen. ’s Avonds om half 10 waren we pas terug.

De kisten zijn uitgepakt en met het plaatsen van de machines is begonnen.

 

Dinsdag 27 juli 1948

Evenals gisteren zijn we de dag begonnen met een stevig ontbijt: ham en eieren, brood, boeter en 2 soorten jam, koffie en thee. Vanavond zullen we verhuizen naar het zomerverblijf  van de heer Avunduk. Het plaatsen van de machines schiet nu hard op.

Bij de lintzaagmachine blijken de V-snaren te ontbreken. Het parkhotel is een der eerste klas hotels van Istanboel. Het is boven op een berg gelegen en geeft daardoor een prachtig uitzicht. Wanneer men door een kleine voortuin met vijver binnenkomt is er allereerste een neger-portier die u groet en wiens taak het is , als u per auto komt of weggaat, het portier voor u te openen en te sluiten.

In de vestibule is, zoals in ieder groot hotel, de portier met zijn administratie. Soms zit men hier met twee of drie man. De restaurantzaal is prachtig en biedt aan een paar honderd personen ruim plaats. Aan deze zaal is een waranda, die uitzicht geeft over het water, waaraan men in de verte de bergen van de Dardanellen ziet liggen. Reeds het zitten hier is een heerlijk genieten en verder beijveren verschillende bedienden zich hier om u te voorzien van alles wat men wenst.

Uit de vestibule leiden trappen naar boven. Daarvan hoeft ge geen gebruik te maken, want ook de lift kan u boven brengen. Wij hadden de kamers 101 en 102. Er zijn 150 kamers. Doordat het hotel groot is bemerkt men van de andere gasten, hoewel alle kamers bezet zijn, bijna niets.

Op iedere gang is een kelner om de gasten die op hun kamer wat wensen te gebruiken, te bedienen. In de restauratiezaal is ’s avonds vaak een concert, ebvenals in het paviljoen, dat ook tot het hotel behoort en ernaast is gelegen.

Na een week hier  gewoond te hebben zijn we dinsdag 27 juli verhuisd naar de villa van de heer Avunduk op het eiland Büjük ada g(root eiland), hetwelk op de kaart te vinden is in de zee van marmora ten zuid-oosten van Istanbul, in een groep van vier eilanden waarvan de anderen heten: Kinaldi, Burgaz en Heybelaiada. Met een tamelijk grote stoomboot waar 2500 personen op gaan en die in de regel flinf vol is, zodat velen staan, varen we er in 1 ½ uur van Istanbul heen. Terwijl het van daar tot Kandili weer drie kwartier varen is. Zijn we dus elke dag 2 maal 2 uren op het water wat een plezier op zichzelf is. Wij voelen ons gewoon op vakantie waarbij we dan ook nog wel wat werk hebben.

Bij aankomst werden we door mevrouw Avunduk, die een zeer vriendelijk dame is, met een lief zoontje van 6 jaar, verwelkomd. De weg van de boot tot het huis legden we per rijtuig af, ten minste tot aan de straat voor het huis. Dan is er nog een tamelijk steile weg die we slechts langzaam lopend kunnen afleggen. Het huis ligt er omstreeks 60 m boven en we hebben 5 minuten werk om er te komen. Auto’s en motoren zijn op dit eiland verboden ten einde de rust te waarborgen en in een zijstraat bij de boot staan tal van aardige rijtuigjes, van mandwerk met een leer en van een plat dak voorzien, met twee paarden ingespannen. Zoals later zou blijken staat er ’s morgens op de weg zo’n rijtuigje klaar om de heer Avunduk naar de boot te brengen. Met dit rijtuigje vangen wij dus iedere morgen na het ontbijt onze dagelijkse taak aan.

Boven de waterspiegel zal het huis ongeveer 80 meter liggen, te midden van dennenbosch op de achtergrond. Het is door een groot terras met beplantingen, voor een groot deel geraniums, omgeven. Er zijn in grote potten, twee citroenbomen, waarvan een verscheidene vruchten draagt. De tuin is meer dam kurkdroog, want water is hier schaars. Het wordt tweemaal per dag per tankboot aangebracht en in de leidingen gepompt. Voor de tuin kan er bijna geen water overschieten en het is daarom verwonderlijk dat de geraniums mooi bloeien en dat er verder ook nog wat planten, palmen en kastanje- en andere bomen groeien. In het voorjaar, omstreeks Mei, wanneer het meer egent, moet het aantal rozen en andere bloemen hier overweldigend veel zijn. Verder roeien er op het eiland ook tal van vruchten zoals peren , druiven en perziken. De eerste avond werden we vergast op een heerlijk maal, bestaande uit aardappel frite met kalfsoesters.

Ontbijten doen we met brood, overvloedig boter, twee soorten marmelade en elk twee eieren. We ontbijten kwart voor zeven met de heer Avunduk op het terras.

Woensdag 28 en donderdag 29 juli zijn we zo heen en weer van het eiland naar de fabriek geweest. We gingen dan omstreeks 1 uur met de boot naar een volgende stopplaats omdat er op Kandili niets is wat ook maar in de verste verte op een restauratie lijkt. In een soort speeltuin kan  men  daar wat bekomen maar de keuze is soms niet groot en het tijdverlies wel, want we zijn daardoor van kwart voor enen tot half drie uit ons werk. Sedert een paar dagen doen we het anders: Op kandili kunnen we koffie en gazeuse kopen, alsmede druiven, meloenen en andere vruchten. We kunnen brood laten halen en op het terrein van de fabriek werkt een ruim tachtigjarige man die yoghurt verkoopt. Dat is algemeen gebruikt voedsel. met deze keuze redden wij ons heel goed. Men moet niet vragen wat wij in ons tehuis te eten krijgen want wij kunnen er lang niet altijd een naam aan geven, maar allereerst is het overvloedig.

Dat wat we ’s middags op de fabriek eten is blijkbaar zowat het algemene volksvoedsel: brood vruchten en yoghurt. Ons dagelijks avondeten doet ons dikwijls denken dat we in Luilekkerland logeren. We eten bijzonder weinig aardappelen maar rijst en maccaroni. Soms meloenen en andere vruchten opgevuld met rijst en fijngemaakt vlees. Tomaten en augurken op een schoteltje met wat olijfolie gesneden. Na het eten meestal nog een paar appels peren en perziken.

In het huis zijn twee diensters, vrouwen van omstreeks 50 en 60 jaar, waarvan de eerste kookt. De andere is altijd bij en om de tafel om je van van alles te voorzien. Ze schenkt je waterglas , als dat leeg is onmiddellijk weer vol. mevrouw zelf schept de borden vol en is altijd bang dat je dan nog niet genoeg zult hebben. dan is er nog een kindermeisje van een jaar of vijftien.

het zoontje van de heer Avandukmis een lief jongetje dat graag met ons wil spe;en. Hij is op van Kaathoven  bijzonder gesteld, zit graag op zijn kniem en kijkt hem aan alsof hij zou willen zeggen: ik bewonder je, maar zeg eens wat tegen mij.

Het talenvraagstuk is hier iets!

Met de heer Avanduk onderhoud ik mij in het engels, met zijn vrouw gaat het beter in het Duits terwijl ik met van Kaathoven natuurlijk Nederlands spreek. Soms weet ik haast geen eind meer aan en raak ik in een Babylonische spraakverwarring.

Vrijdag 30 juli zijn van Kaathoven en ik naar Istanboel gegaan om te zien of er V-snaren te krijgen waren. Ik wilde ook bij het filiaal van de SKF kijken of men voorraad had van de kogellagers die in onze machines passen 2307 had men niet en voor andere nummers zal ik nog eens met een lijstje terug gaan

Aan de Hollandse Bankunie vroeg ik de heer Jongejans te spreken die afwezig was, doch ik ontmoette  de heer Klaar, procuratiehouder, een Nederlander. Van hem kreeg ik enige adressen van drijfriemhandelaren. De eerste bleek geen V-snaren te hebben, en op weg naar de tweede kwamen we langs een fotograaf lijstenmaker die enige lijsten van buiten had hangen waarvan er een veel op een kleine V-snaar leek. dat trok onze aandacht en bij nadere beschouwing bleek het er ook werkelijk een te zijn. Wij naar binnen! Hoe dat in overeenstemming was met zijn fotozaak, daarover konden wij ons slechts verbazen. Maar de man had werkelijk V-snaren, alleen niet in de maat die wij moesten hebben. Ik vroeg hem, of hij er niet aan wist te komen. Dat zou misschien wel gaan.  Maandag of dinsdag  zou ik eens komen kijken.

Wij togen verder in de hoop op een nog beter resultaat. en we waren nog op geen 5 minuten afstand of van Kaathoven werd door een jongen aangehouden die hem in het Turks toesprak en een V-riem in de hand hand had precies zoals wij ze moesten hebben. Hij bracht ons bij de fotograaf terug die ons vertelde deze maat bij een ander inmiddels bekomen te hebben en ik sprak met hem af ze maandag te halen. Dat was een onverwachte uitkomst!

 

Zaterdag 31 juli en zondag 1 Augustus zijn we op het eiland gebleven. We hebben uitgeslapen en in de waskamer een bad genomen. Deze kamer bevat de wc, een badkachel om met hout te stoken een wastafel en een douche-inrichting. De logeerkamer is er tegenover gelegen op de eerste verdieping en deze verdieping wordt schijnbaar geheel ingenomen door slaapkamers.

Beneden zijn twee ineenlopende kamers met linoleum op de grond en gemeubileerd met rood gelkte meubelen: een buffet, een tafel, enige stoelen, twee crareaux, een sofa en radio. Men heeft al enige malen voor ons geprobeerd om Hilversum of huizen aan te draaien maar dit wil niet gelukken, Verder schijnt het beneden personeel en keuken-afdeling te zijn. op de gang staat een elektrische koelkast.

Zondag ging de familie Avunduk een bruid feliciteren en waren we dus alleen thuis, behalve het personeel. We zijn in de morgen naar beneden geweest, van kaathoven ter kerk en we hebben aan zee koffie gedronken. Verder wat winkels bekeken en het verkeer en de mensen aangezien. ’s Zomers bedraagt het aantal der bevolking 20000 , ’s winters 8000.

Gesloten is er ’s zondags zo goed als niets. Het postkantoor is open en de straatwerk doet zijn werk. Er zijn heel wat huurrijtuigen en ook nog ezels, die men kan huren zodat er op straat nogal  wat valt te vegen. Toen we thuis kwamen, was ons middageten klaar, dat onder andere bestond uit uit voor ieder twee gebraden jonge hanen. We hebben geoefend in het fotograferen en hopen dat daar wat goeds van terecht komt.

Vrijdag 6 augustus 1948

Vandaag , morgen en overmorgen zijn hier feestdagen waarop niet wordt gewerkt. In mijn zakboek staat deze dag ook nog aangegeven als Javaanse feestdag. Dat is dan zeker voor mohammedanen aldaar. Deze dag behoort men elkander te felicitere, zijn ouders, patroon en familie te bezoeken net zoals dat in nederland op Nieuwjaarsdag gedaan wordt. ook ziet men veel kaartjes verkopen en verzenden. toch is het geen nieuwjaarsdag want men heeft dezelfde kalender als wij, maar misschien de vroegere mohammedaanse nieuwjaarsdag.

maandag dat is Pazartesi. dinsdag sali  woensdag cursumba en donderdag persembe   hebben we aan het plaatsen van de machines gewerkt

Vandaag vrijdag of Cuma , zaterdag cumartesi en zondag Pazar   zijn we thuis

De vier werkdagen zijn omgevlogen. iedere werkdag begint met een rit naar de boot waarop de beide boottochten volgen. ieder morgen zijn de boten stampvol en komen de krantenjongens met dikke pakken het felbegeerde nieuws brengen. Zij zijn echter slecht gesorteerd want de Schijndelse krant hebben ze niet en de Krommeni”er ook niet. Zij hebben slechts kranten die wij niet lezen kunnen, en waarvan bijna iedereen behalve wij er een koopt. Er is verder nog heel wat handel aan boord. er worden ook zuurtjes, elastiek , kammetjes en spelden en dergelijke kleinigheden aangeboden.

We ontbijten ’s morgens met koffie, heel bijzonder volgens ons begrip, die echter heel goed is. Op de tafel staat een kan hete melk. De heer Avanduk doet in ieder kop twee klontjes suiker en een theelepeltje droge koffie, heel fijn gemalen. Daarop giet de dienster de koppen vol en we roeren wat alvorens te drinken. Het is aan te bevelen dat ook te proberen.

Gisteren, dat heet hier d”un, hebben we onze eerste brieven gekregen. Een brief die de tweede was geschreven had ik zelfs. deze is dus, evenals de vroegere , dinsdagnacht 3-4 augustus per KLM van Amsterdam gegaan en hier de vierde aangekomen. Wij waren heel blij met onze brieven en zeiden, we zullen morgen d.i. jarren    terugschrijven Misschien gaan de brieven dan zaterdagmorgen al met de KLM hiervandaan naar Amsterdam..

Op het postkantoor zei men ons vandaag  dat is boekan dat dit zo zijn zou. Niettegenstaande zon- of feest-dag zijn postkantoor of winkeltjes van boeken, kranten, snuisterijen, snoeperijen en vis en de zaken van de bakker, slager, groente- en fruithandelaars open.

Men schreef van huis over een hitegolf en ook hier  is het warmer, maar volgensde opvattingen hier, meer normaal geworden. Vanmorgen lazen we een thermometer af op 86 graden Fahrenheit.

Na de brieven op het postkantoor gebracht te hebben, zijn we naar huis teruggegaan. De heer Avunduk die in de loop van de dag enkele bezoekn ontving , moest vanmiddag zelf bezoeken afleggen. Wij hebben gegeten , wat wij ten naasten bij kunnen omschrijven:

4 flinke sauzijzenbroodjes

Gefrituurde aardappelen met haché maar dan moet men in dit laatste de uien door tomaten vervangen denken

Watermeloen en perziken.

Er is in de Zaanstreek en waarschijnlijk nergens een kok of een banketbakker die onze kookster overtreft en ook onze gastvrouw zelf kan ongekende heerlijkheden klaarmaken.

15 Augustus 1948

De dagen na de 8ste zijn omgevlogen. Drie dagen rust was haast te lang en met genoegen begonnen we dan ook maandag onze werkweek. Deze is ultra modern, zijn tijd ver vooruit namelijk vijfdaags en 30 uurs. Toch zijn de dagen ermee vol. We staan om 6 uur op, ontbijten en rijden naar de bot, iets vroeger dan eerst , nl de boot die om 7 uur vertrekt. We zijn dan omstreeks 10 uur op de fabriek, we houden schafttijd van half een tot half twee en gaan ons tegen 5 uur wassen om met de boot van half zes te vertrekken. Dan komen we zowat om half acht op ons eiland aan rijden naar huis, gebruiken het avondeten en gaan om half tien naar bed.

Iedere avond na het eten krijgen wij een kop koffie maar geen koffie zoals we die thuis drinken. Zo nu en dan kopen we in een café of op de boot ook zo’n kopje koffie, dat is heel sterk e, zonder melk. Vaak krijgt men er een glaasje water bij. Op de boot naar het eiland drinken we ’s avonds altijd thee, in een klein glas.

Brood, vruchten en yoghurt schijnt wel het volksvoedsel te zijn. Al naar dan wel de stand waarin men zich bevindt kan men bovendien  een f twee maal per week wat rijst eten. Vlees wordt hier veel minder gegeten dan bij ons en men heeft daar ongetwijfeld nog minder behoefte aan dan in het noorden. Vruchten spelen hier een grote rol, voornamelijk meloenen

Deze heeft men in verscheidene soorten en zij zijn zo zoet dat het onzin nou wezen om er, zoals we dat in Nederland doen, suiker bij te nemen. Men kan niet rondkijken of men ziet stapels meloenen of schepen, wagens en manden met meloenen. Het brood is waarschijnlijk heel verschillend van kwaliteit want we zien het bij bakkers geprijsd voor 30 en soms voor 40 cent per kilogram, een enkele keer voor 25. Men bakt hier ronde broden zoals in Brabant en Zeeland  Aardappelen zal de gewone man ook maar een enkele keer eten want die kosten 40 cent per Kg terwijl we eieren geprijsd zien  voor 10 cent. Daar het Turkse pond hier de rol speelt van onze gulden en bijna gelijk van waarde is, namelijk 98 cent is het voor ons heel gemakkelijk de prijzen te lezen. Het pond is dus verdeeld in munten van 50, 25 en 10 en 1. Dus we betalen zowat net alsof we thuis zijn. Koffie die geïmporteerd wordt uit Brazilië kost hier F 7,20 per kg.

Het komt nogal eens voor dat wij sla of prinsessenbonen eten. Ze zijn heerlijk maar heel verschillend met de Nederlandse bereidingswijze klaargemaakt. We krijgen ze in olijfolie en ze zijn dan heel zacht. Met overvloedig boter en met deze olie in vele spijzen zullen we niet lijden aan een vettekort.

Melk is schaars. Een koe geeft zowat ¼ gedeelte van de normale hoeveelheid in Nederland. ‘s Morgens gaat hier een meisje naar een boer, die zit te melken om een liter melk. Zo weet men dat er geen water in zit en zo’n liter kost dan 1 gulden (1 pond)

Een Hollandse vrouw, die hier zou gaan wonen, mocht de eerste tijd wel veel hulp hebben om haar huishouding te leren want anders dunkt me, weet zij er  geen raad mee.

Gister hebben we onder andere peper gegeten: gekookte groene vruchten zo groot als een appel.

Dat is zo het hele verhaal over het eten. Nu over de mensen, de bevolking. Daar valt veel goeds van te zeggen: dit is in zijn uitingen en gedragingen een beschaafd volk. We hebben in de weken dat we nu hier zijn, geen misdragingen gezien. Men is onderling zeer beleefd de werklieden zijn erg onderdanig. Wij hebben plezier in de bijzonder goede wil en in enkele gevallen van gevatheid en de handigheid van de mensen met wie wij werken. Wij geloven dat deze mensen klompen zullen maken als het ons gelukt de eisen waaraan zij moeten voldoen aan het verstand te brengen. Geen klompen om naar een Nederlandse klompenbeurs  te zenden maar toch die gedragen kunnen worden en ongetwijfeld zal men ze in verloop van tijd beter en beter gaan maken zoals dat in Nederland toch ook gegaan is.

De allerarmsten zijn hier schooiers en zij schijnen een geheel aparte stand te vormen

Ook deze mensen, die men overal als sjouwers tussen het publiek aantreft gedragen zich behoorlijk. Zij zijn velen tot dienst, waarschijnlijk niemand tot last maar volgens onze begrippen moesten zij er niet zijn.

Men vertelde mij, dat na de vorming van de republiek het lastdragen was verboden als zijnde minderwaardig. Men kwam er toen echter in de grootste verlegenheid want het aantal lastdragers  of sjouwers was groot en zij waren tot niets anders in staat. Hun werk is toen weer toegestaan en zo zijn ze er nog. Handwagens ziet men hier bijna niet en het gebrek aan kleine vrachtauto’s lijkt wel een schrijnende tegenstelling met het overgrote aantal der aanwezige taxi’s die allemaal van de mooiste Amerikaanse merken zijn.

De meeste andere mensen ook de werklieden zien er best netjes ui.

In het bijzonder is dat op dit eiland het geval. Niet alleen doordat vele welgestelden hier hun verblijf hebben maar veel meer anderen zijn hier met vakantie en in pension. Dit gaat samen met een tentoonstellen van mooie kleren, speciaal japonnen. Jong en oud  doen hun best er op zijn voordeligst uit te zien en men schijnt er bijzonder goed op de hoogte te zijn van de nieuwste mode.

Het leven speelt zich grotendeels buiten af. We gebruiken onze drie maaltijden buiten, zittenhaast nooit in huis en slapen met een raam wijd open en bijna zonder dek. Evengoed is het ’s nachts nog warm. Als men eens wakker wordt, is het bijna volmaakt stil. Van het eiland aan de overkant staren honderd ogen je aan, die in het water weerkaatst worden. Soms klinkt een zacht gefluit, alsof het op een kinderfluitje wordt voortgebracht en het schijnt op dezelfde wijze heel geheimzinnig beantwoord te worden.

In de viswinkels ziet men soms zeer zware vissen, naar schatting 40 a 50 kg wegende.

Er zijn ook bruinvissen. Van Kaathoven zag er in de zee van Marmora een uit het water springen en weer daarin verdwijnen.

Om een stel gereedschappen te kopen ben ik vanuit Istanbul terecht gekomen in een buurt vol van ijzerwinkels gevarieerd in verband met hetgeen waarin ze zich eventueel gespecialiseerd hebben, Men kan hier op het gebied van gereedschappen, en ijzerwaren, drijfriemen zowel als slijpschijven een sortering vinden zoals we die in nederland, voornamelijk in Amsterdam en te Rotterdam in onze beste tijd gekend hebben.

Achter deze buurt zijn er weer straatjes met alle soorten klein-nijverheid. Vlak hierbij is de haven en de scheepvaart vindt hier alle gelegenheid om inkopen te doen.

De haven ligt nog steeds vol zeeschepen, grote en kleine. We zagen Amerikaanse en Engelse, Zweedse en Franse boten behalve vele Turkse. Nederland schijnt op Istanbul niet veel vaart te hebben, want  tevergeefs zien we uit naar onze vaderlandse driekleur, terwijl toch zoveel Nederlandse schepen de zeeën bevaren.

Men hoort hier zeer weinig zang en muziek. Wanneer eens iemand zingt, is het gezang in de trant van een Joods klaaglied. Ik hoop in de gelegenheid te zijn , een paar grammofoonplaten te kopen om mee naar huis te nemen, teneinde er thuis nog eens iets van te kunnen horen en zo herinnerd te worden  aan de prettige dagen die we hier doorbrengen. Tot dit doel zullen ook dienen de briefkaarten die we naar huis zenden en de foto’s die we maken

22 Augustus 1948

De 22ste. De dag begint te naderen. Onze dag. Dat is de dag waarop wij zo stilletjes naar verlangen, hoe goed het ons hier ook bevalt, de dag, waarop wij zullen opstijgen  om terug te keren en waarop wij weer in onze huizen zullen zijn, bij allen die daarin en daarbij horen. De dag waarop onze geliefden en vrienden ons zullen overstelpen met vragen als hoe was dit en hoe is dat en waarop wij ongetwijfeld eerst zelf haast niet kunnen begrijpen weer thuis te wezen.

 

Het zal een schone dag zijn! De 19de heb ik bij Cook de plaatsen besproken in het vliegtuig dat 4 september vertrekt en waarmee we diezelfde dag op Schiphol hopen aan te k0omen, waarschijnlijk om 6 uur ’s avonds.

Tegelijkertijd heb ik toen de heer Jongejans , directeur van de Hollandse Bankunie bezocht en hem de complimenten van de heer mol uit Amsterdam overgebracht. Na een gezellig babbeltje ben ik toen ook nog een praatje gaan maken bij de heer Helios , vertegenwoordiger van Heemaf.

Verder in de week van maandag tot en met vrijdag gepasseerd met ons gewone heen en weer gaan naar onze klompenmakersschool. De zee van Marmora is steeds gestoffeerd  met enige oorlogsschepen. Geregeld liggen er enkele kruisers voor ons eland en nu en dan komt er een onderzeeboot voorbij. Deze week liggen er meer schepen dan tot nu toe, nl een slagschip en negen kruisers. Dinsdag gingen we met een boot heel tot het einde van de Bosporus. Daar, waar de laatste aanlegplaats Büjükdere heet, zouden we naar een partij hout gaan kijken die we echter niet goedkeuren onden. Wij kwamen daartoe terecht op het terrein van een luciferfabriek. Dit is een monopoliebedrijf van de staat. Op deze tocht passeerden we de ingang tot de Zwarte zee welke ingang blijkbaar naar wij vernamen ook voortdurend wordt bewaakt door twee oorlogsschepen.

Het is steeds en overal Rusland , dat men wantrouwt en men is er hier geheel op voorbereid

, geen onverwachte gasten onverwachts in huis te krijgen. Behalve dat de vloot steeds paraat gehouden wordt, houdt Turkije, zoals wij vernamen, nog steeds, d.w.z. sinds 1939/1940 een miljoen soldaten op de been. Wat is dit een last voor een volk van 20 miljoen de soldaten zijn geen parademannen. Zij hebben armoedige linnen pakken aan, vuilwit met slordige slobkousen, slecht schoeisel en een mutsje op. Men komt er heel veel tegen. De officieren hebben pakken  aan maar Amerikaans of Engels model ongeveer, echter geen battle dresse en bronsgroen met platte petten. De matrozen zien er beter uit: witte uniformen met blauwe braniekraag en gewone matrozenmuts; hun officieren dragen ook witte uniformen met witte petten. Waarschijnlijk wordt dat wit in de winter vervangen.

Men vertelde mij dat de Turkse bodem rijk is aan ertsen in grote verscheidenheid en dat de ertsen hier als het ware liggen te wachten om geëxploiteerd te worden. Ook dat Turkije verre van rijk is. Wanneer de mensheid toch eens uit haar wantrouwende toestand kon geraken zodat alle soldaten aan nuttige arbeid konden gaan. Zpou dan de arbeid van ditzelfde miljoen mannen niet tot gevolg kunnen hebben dat het rijk tot welstand  kwam als zij de rijkdom uit de grond zouden delven?

Slechts twee der tien geboden zouden de zieke samenleving al genezing kunnen brengen: Gij zult niet begeren en gij zult niet doden.

Behalve de oorlogsschepenen vele andere vaartuigen zagen wij op de Bosporus een prachtig wit jacht liggen dat, eigendom van de Turkse staat zijnde, ter beschikking is van de staatspresident. Eenmaal zagen wij soldaten met muziek, blaasinstrumenten, een troep meisjes voorafgaande die statig marcherende en zingende….

 

Van Büjükdere keerden we, teneinde zo vlug mogelijk in de stad terug te zijn om zodoende tijdig een boot naar ons eiland te kunnen bereiken, per autobus terug. Zo mooi als deze altijd is per boor zo beroerd is deze reis per bus. De weg was niet al te best, smal en langs de Bosporus. Men kon de vaardigheid van de chauffeur bewonderen maar tegelijkertijd in angst verkeren dat hij met grote snelheid overal langs en tussendoor laverende in het water terecht zou komen. Zoiets gebeurde echter niet en tot onze verbazing kwamen we levend in Istanbul aan . We hebben deze week met genoegen de Nederlandse vlag gezien. Tussen vele andere schepen lag het  stoomschip Bacchus van Amsterdam te lossen.

Gisteren, zaterdag hebben we twee moskeeën bezocht. De heer Avunduk was zo vriendelijk ons zijn boodschapper mee te geven. Wij waren eerst in de Haya Sofia. Deze is bij afwisseling in bezit van de Grieks Katholieke Christenen en de mohammedanen. Er zijn daardoor muurschilderingen zoals men in Katholieke kerken mag verwachten, die eens door pleisterwerk zijn bedekt en later weer tevoorschijn gebracht. Het tegenwoordige Turkse bewind heeft aan de voortdurende twisten en begeerten Van Grieks katholieken en Mohammedanen een einde gemaakt door de moskee tot monument te verklaren en het is een monument van bouwkunst zo mooi dat het een van de zeven wereldwonderen wordt genoemd. Tienduizend mensen moeten er jaren aan gewerkt hebben. Fotograferen is er verboden, dus moesten wij onze toestellen afgeven alvorens naar binnen te gaan.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.