mijn jeugd in Breukelen

Het was een omschakeling van den Haag naar Breukelen maar ik kan me vreemd genoeg, niet herinneren dat ik er ooit verdrietig om was. Miste ik niks? Ja mijn vriendinnetje Wiesje miste ik en ik miste de overkant. Jarenlang dacht ik ….als er nou toch eens huizen met kinderen zouden staan aan de andere kant van de straat.

Aan de overkant van de straat, de Gerard Splinter van Ruwiellaan, lag een strook gras met een sloot. Aan de overkant van de sloot lag een berg. Dat vonden wij kinderen tenminste: een berg. We speelden bergbeklimmertje. Later begreep ik dat die graven van diezelfde sloot.
Nog weer achter die berg lag een uitgestrekt weiland dat doorliep bijna helemaal tot aan de dijk van het kanaal. Op de kanaaldijk liepen schapen en soms ook wel eens een poney.
Maar hoe kwam je daar?
Het duurde niet lang voor kinderen in een ondiepe plek van de sloot een soort dammetje gebouwd hadden. Zo kon je namelijk ook in een oude appelboomgaard komen. Het leven zat vol avontuur.

We speelden verstoppertje in het hoge gras op het veld waar ooit een school en een zwembad en nog veel en veel later een woonwijk zouden verrijzen. We plukten armen vol Pinksterbloemen en Margrieten.

Moeders stonden doodsangsten uit door die gevaarlijke sloot. Als de grasberm te hoog werd kon je kinderen niet in de gaten houden en niet alle kinderen konden zwemmen. Na een aantal jaren is het echt misgegaan en is er een klein meisje verdronken . Ik kende het kindje niet maar ik zal nooit de grote ontste tein ltenis vergeten van al die ouders die er getuige van waren waren dat het levenloze lichaam boven water kwam. Aan ons kinderen werd het zicht belemmerd, we stonden tweede rang, waarschijnlijk met opzet. We hoorden in elk geval wel de ontzetting.


Als je later zelf kinderen krijgt dringt het drama pas echt tot je door. Zulke beelden komen altijd weer een keer boven.

Toen wij onze intrek namen op nummer 82 was het erg stil, erg rustig; het was vakantietijd.
Ons rijtje van 7 huizen was al klaar en ook de straat was beklinkerd maar de zijstraat was nog een zandbak. De meeste huizen en lage flatgebouwen waren nog in aanbouw.
Naast ons kwam na een paar weken ene gezin met drie kinderen. Gerrit was een jaar jonger dan ik, Martien was 3 jaar jonger en Evert was net zo oud als mijn kleine broertje.
We gingen wel naar dezelfde school maar niet naar dezelfde klas. De peuters werden later wel echte speelkameraadjes maar ik vond mijn beste vriendinnetjes meer bij de andere buren.
Daar kwam een engels gezin, de familie Cooke.

Dennis Cooke was een hele grote man en net als mijn vader, leraar op Nijenrode, docent Engels. Als ik mij hem voor de geest haal zie ik een engelsman zoals de dierenarts in de oude engelse serie “all creatures great and small” Groot verschil: hij was als de dood voor dieren. Hij had gevochten in de oorlog en een kogel was in zijn been achtergebleven. Indrukwekkende verhalen onder kinderen.


Maar dat hoorde ik natuurlijk niet allemaal niet meteen. Het gezin verhuisde pas na de vakantie; de zomervakantie verbleven ze altijd in Engeland. De voorgaande jaren hadden ze op slot Silverseyn gewoond een oud buiten aan de overkant van de Vecht tegenover het kasteel Nijenrode. Daar werden ook studenten gehuisvest. Die konden met een roeiboot snel heen en weer. Maar meneer Cooke had ook een auto, een grijze auto waarvan er geen tweede was in de regio, een engelse auto net het stuur aan de “verkeerde” kant.
Zijn tuin had een grasveld dat met een engelse grasmaaier gemaaid werd waardoor er een prachtig patroon ontstond van lichte en donkergroene strepen. En verder was er ook een zeer engelse rozenborder. De buren bewoonden het hoekhuis en hadden daardoor een garage. In de garage hing een schommel.

Van de drie dochters was Penny de oudste. Ze was een jaar jonger dan ik maar dat was geen beletsel voor een hechte vriendschap.
Via onze vriendschap raakten ook de moeders op goede voet met elkaar. Zelfs toen mijn moeder 2 jaar later alleen achterbleef. Moeder Suzette Cooke leefde hier ook in een isolemant doordat ze de Nederlandse taal maar niet machtig werd. Ze leefde in haar eigen engelse enclave op nummer 80 waar alles engels en dus beter was.
De meisjes, Penny, Johanna en Debre, gingen helaas niet naar de openbare school zoals ik maar er bleef genoeg tijd over om samen te spelen.
Om het contact goed te onderhouden hadden we op zeker moment met een draadverbinding een simpele huistelefoon (op batterijen) geinstalleerd op onze kamers. We deelden een muur en konden ook klopsignalen geven. Maar een draadje via de ramen was natuurlijk wel veel praktischer.

Ik was in den Haag al heel wat malen met mijn moeder de stad ingeweest om van alles te kopen voor het nieuwe huis. Gordijnen, vitrage, boekenrekjes etc.r

De trappen naar boven en naar zolder draaiden allebei rechtsom en de huiskamer was op de begane grond net als de keuken. Je kon via de achtertuin ook het huis binnen. Wel wat anders dan een touwtje uit de brievenbus en een trekbel met een deur die opengaat doordat er iemand bovenaan de trap staat en aan een touw trekt.
Voor mijn moeder met haar slechte knieën is dat vast een pluspunt geweest.
Achter in de achtertuin, er was ook een voortuin, stond een schuurtje.

Die tuin was kaal en rondom begrenst met houten paaltjes verbonden door een dikke ijzeren draad.
Mijn moeder zorgede voor kamerplanten, fuchsia’s geraniums met bjzondere kleuren, hartjesplant en gatenplant. Ze maakte altijd stekjes en gaf planten weg.Mijn vader bemoeide zich met de tuin. De liefde voor tuinieren zal hij hebben doorgegeven. Er kwam gras, een perk, bessenstruiken, een larix en een lijsterbes. Nadat ik ergens iets gelezen had over het drogen van bloemetjes maakte ik voor allerlei gelegenheden bloem”schilderijtjes”, met name met viooltjes die zulke prachtige kleuren kunnen hebben.

En er kwam een zandbak voor mijn kleine broertje Simon, en ook een beetje voor mij.
Ik groef in de zandbak totdat ik stuitte op de onderlaag van rivierklei. Later maakte ik met nieuwe vrienden daar eigen knikkers van.

In de voortuin werd gras gezaaid en werden en een paar rozensruiken geplant. Al snel stond er een laag hekje langs de stoep, gemaakt van een simple dikke plak van een boom.Datwas de mode; rustiek. In andere tuintjes waren ook haagjes mode van liguster. Liguster ruikt heerijk als het in het in bloei staat met grappige witte trosjes bloem. Veel mensen waren haast wekelijks bezig met het knechten van hun keurige haagje zodat de bloempjes geen kans kregen. Jammer, denk ik nu.
Er werden aan weerszijden van de tuin rijen net haagbeukjes geplant. Het zou even duren voordat die werkelijk onze privacy in de tuin zouden verzorgen. We begonnen met een kale vlakte.

Wij kinderen, in alle huizen aan het einde van de zomer woonden haast overal kinderen, vonden het best. We sprongen over de haagjes, of liepen er gewoon doorheen volstrekt tegen de regels.
We kochten natuurlijk ook een grasmaaier. Voor kinderen een prachtig intrument. Uiteraard werden we gewaarschuwd voor de scherpe messen. Schommels en klimtoestellen had niemand in de tuin staan. Uh, alleen mijn Engelse buurmeisjes hadden een schommel vlak achter een van de deuren van de garage.

Met mijn vader ging ik naar de plaatselijke timmerman waar het heerlijk rook naar hout en de prachtige houtkrullen op de grond lagen om mooi afgewerkte planken te bestellen voor keuken en gang. Een geur die je nooit vergeet; vers bewerkt hout.
Een mij onbekende oom Roel, oom van mijn vader, kwam helpen met het leggen van linoleum op de vloeren en de trap.

Boven was een badkamer met granieten een douche een wastafel en een wc. Wat een luxe!

Maar een koelkast hadden we niet, en ook geen afwasmachine. Die hadden de Engelse buren trouwens wel, heel bijzonder. Deze stond als een pronkstuk pontificaal op het aanrecht in hun keuken.

Er kwam een melkboer aan de deur, Jilles Coljé. Ik leerde al snel dat die naam eigenlijk een franse naam was. Zijn familie was eeuwen eerder vanuit Frankrijk naar hier gevlucht: Hugenoten. In het dorp had zijn familie zo’n echt boter-kaas-en eieren-winkeltje met witte tegels aan de muur. We hielden de bederfelijke waren wat koeler in de kelder die eigenlijk een meterkast was onder de trap maar ook een paar treedjes onder de begane grond liep.
Er kwam een bakker aan de deur, bakker Grilk. In het dorp waren nog meer bakkerijen, elk met hun eigen specialiteit. Er kwam een goenteman aan de deur maar ook een speciale aardappelenverkoper en in de zomer werden er aardbeien gevent.

omroeper

Eens in de zoveel tijd schalde er ook getoeter en geschreeuw door de straat van een man met klompen aan op de fiets, een omroeper. Hij riep “heden middag….. om drie uur….. vleesverkoop…. op de vrijbank…. vie IEDEReen. Zegt het voort.”
Het klonk mij als geheimtaal in de oren. Het zou nog jaren duren vooraleer ik begreep dat het ging over noodslachtigen.
In een ruimte van de brandweerkazerne zaten mensen ruim op tijd met hun breiwerkje en dorpsroddels te wachten tot de keurmeester binnenstapte met manden vol vlees. Op je beurt kon je voor een habbekrats een kilo vers vlees kopen en een kilo gehakt. Er werd van te voren gezegd of het ging om schaap, koe of varken. maar welk deel van de slacht je kreeg moest je afwachten. het kon biefstuk maar ook iets heel anders. Het was een blinde koop verpakt in krantenpapier. Goedkoop maar niet minderwaardig. Mensen van buiten, uit de nieuwbouw dus, zag je er zelden.

eerste schooldag in het dorp

Mijn eerste schooldag zal ik nooit vergeten. Mijn vader bracht me naar school. De waeg naar school kan ik me niet herinneren, het moet over de grote weg zijn gegaan. Sat was de stratweg, die in mijn ogen nu niet een echt drukke weg was. In den Haag waren de straten echt veel drukker. Maar de ouders in de nieuwbouw hadden al snel voor elkaar dat en een looppad door de nog niet bebouwde gronden kwam.
Hoe dan ook, mijn vader had een gesprekje met de hoofdmeester en daar stond ik dan in de zon tegen de muur naast de grote deuren van de ingang. De ochtend had ik gemist ik wachtte tot de schoolmiddag begon. gen de zon inkeek. Ik kneep mijn ogen tot spleetjes omdat ik teIk keek naar een schoolplein met allemaal vreemde kinderen die, dat viel me op, met alle leeftijden door elkaar speelden: voetje van de vloer en bokkiespringen etc.

De meesters en juffen liepe in een rij over het schoolplein heen en weer totdat ee van de kinderen de bel mocht luiden. Er stond een torentje op het dak met een echte klok erin en de kinderen hoopten altijd dat ze uitverkoren zouden zijn om aan het touw te mogen trekken om te luiden.

derde klas


Ik kwam in de derde klas bij een meester van Dam. In den Haag was mijn school een veel nieuwer gebouw. Hier zat ik in een klas met hoge ramen waardoor je nite naar buiten kon kijken we zaten nog in echte houten schoolbanken, wiebelen kon maar de bank wiebelde niet mee. Achteraf begrijp ik niet waarom dat meubilair moest wijken. Het voorkomt omvallende stoelen en geeft mogelijkheid tot bewegen zonder storen, dat is heel praktisch voor beweeglijke leerlingen.

We schreven met pen en inkt in groene schriftjes met een roodomrand etiket erop. In ieder nieuw schrift lag een vloeiblad, groen of roze of geel. Je pen en potlood kon je in een gleufje leggen naast de inktpot die je open en dicht kon schuiven.

Op maandag werd er betaald voor schoolmelk maar ook voor de zending en spaarzegels en voor een spaarbankboekje. Ik hoefde alleen naar voren te komen voor de melk. Die melk kwam in flesjes die we leegdrionken tijdens het voorlezen vlak voor we naar buiten gingen voor het speelkwartier.

buitenbeentje

Ik had het naar mijn zin op school maar was ook een buitenbeentje. Ik was een stadsmeisje en volgens de kinderen sprak ik raar en gebruikte rare woorden Droppoeder in plaats van zwartwit, en halvekousen in plaats van kniekousen.
We gingen niet ter kerke. Wist ik veel…. dat Breukelen een CHggggristelijk dorp was. Hoewel Kockengen pas echt christelijk was. Daar werd de zondagsrust echt in ere gehouden. In Breukelen stonden heel veel kerken van allerlei christelijke richtingen. Er waren meer soorten zwarte kousen, gewone hervormden maar ook katholieken.

We waren natuurlijk niet echt de eerste mensen van buiten, de melkfabriek had ook heel wat volk van elders aangetrokken maar ik het duurde wel even voor ik bij schoolkinderen thuis kwam.
Ik raakte bevriend met kinderen uit gezinnen met ouders die meer geleerd hadden… dat zie ik nu pas. Hester, de dochter van de dokter, Adrienne, dokter van een architect, Daniel een

Addie, een meisje uit Zeeland. Ik raakte deze vriendinnen allemaal kwijt doordat zij verhuisden. Wie bleven waren onder andere Ineke Suurhof zoon van een kunstenaarsfamilie uit Amsterdam.
Er was een meisje wier moeder gestorven was, Hildelies. Hildelies zo heette het was daardoor door haar vader als een halve jongen opgevoed. Maar op zeker moment werd zij weer meisje, haar vader hertrouwde en er werd een kindje geboren.

Wouter en Herman konden heel goed voetballen bij FC …Nijenrode natuurlijk.

Ambonnezen

Toen ik in de vierde klas zat kwamen er kinderen uit woerden in de klas. We werden voorbereid; ze hadden een kleurtje. Ze kwamen van een kamp, Ambonezen werden ze genoemd.
Het betekende een verrijking, er was geen sprake van discriminatie. Ze waren ontzettend goed in alles op het schoolplein, kaatseballen, elastieken etc. Hun moeders liepen in sarong en ze spraken onderling een eigen taal. We leerden wat van die interessante woordjes, die hadden voor ons toch een magische klank. In diezelfde tijd waren we ook altijd trots als we een engels woordje kenden; je bent crazy en deur is door etc. En niet te vergeten sjlafsjoe jejeje van de Beatles.

Een jaar later moest de school wijken voor de aanleg van een nieuwe weg naar onze wijk en verhuisde de school naar een nieuw gebouw, zo’n saaie glazen H-gebouw.
een eigen taal. Dat vonden we interessant. Ze brachten ook vaak lekkere koekjes mee. Mij herinnerden ze aan mijn Haagse vriendinnetje Carmen van het indisch restauerant Ajoe onder ons.
Ik speelde veel en graag met de nieuwe kinderen ze kwamen langs mijn huis als ze naar school liepen dus liepen we samen op.

We speelden samen maar kwamen nooit echt bij elkaar over de drempel. Ik denk dat dat te maken heeft met het idee dat de kinderen ooit weer terug zouden gaan naar Ambon. Na een paar jaarkreeg de gemeenschap een eigen kerk een zogenaamde Silo.

pesten

Op school en in de klas was ik veilig en geaccepteerd maar op de een of andere manier vonden andere kinderen het nodig om me te pesten. Ik herinner me het eindeloze persterige gerijm op mijn naam. Dat begon toen mijn ouders scheidden: moet je horen judith koorn is geboren met ezelsoren van achter en van voren

Eigenlijk heb ik geen idee van wie dat uitging, of waarom het begon.. Mijn redding was dat ik groot was voor mijn leeftijd en dat ik in den Haag jaartje op judo had gezeten. Die wetenschap boezemde ontzag in. Ik heb nooit, ook niet maar één keer gevochten. Mij omdraaien was genoeg om de pestkoppen op de vlucht te jagen.

  1. Omdat ik in zomervakantie jarig ben, nog altijd trouwens, waren er geen verjaardagsfeestjes niet handig want dan word je ook minder vaak gevraagd.

    echtscheiding

Op een dag in het voorjaar van 1966 de vluchtte mijn moeder het huis uit, met ons. We stapten in een taxi naar mijn oma in Oosterbeek.
Eerlijk gezegd had ik toen geen flauw idee waarom. Ik kan me ook niet heugen dat ik er een traan om gelaten heb. Dat is gek….misschien heb ik het verdrongen?
Ik ging een poosje naar school in Oosterbeek. Ik vond het een interessante ervaring; alles net een beetje anders maar niet onaangenaam. Met handwerken leerde ik daar borduren aan een merklap. Het was niet van lange duur. Na een week of drie werden we door agenten van politie uit school gehaald en op een schuiladres ondergebracht. Mijn vader had aangegeven ons te zullen ontvoeren.

We woonden een poosje in een pension in Ede met een enorme tuin en speeltoestellen, het was heerlijk, voor Simon en mij was het vakantie en ik denk dat die tijd ook in vakantie overging.
Daarna bracht ik nog een aantal weken door in Elst bij vrienden van mijn oma. Ze waren heel aardig maar ik vond het rare mensen, oom Hen en tante Piep. Wie heeft er zulke rare namen? Ze hadden een tandartsenpraktijk. Hun kinderen waren al het huis uit maar mijn geluk was dat zij al hun kinderboeken en tijdschriften nog daar hadden staan. Ik was stapelgek op lezen en dus verveelde ik me geen minuut.

Het zal net voor het begin van het nieuwe schooljaar geweest zijn, dat we weer thuis kwamen. De rechter had het huis aan mijn moeder toegewezen. Wat er allemaal gebeurd is..? een gat in mijn geheugen. Mijn moeder had het huurhuis toegewezen gekregen. Het huis was eigendom van de werkgever van mijn vader: Nijenrode. Dat leverde later nog een hoop narigheid op.
Ik miste mijn vaders aanwezigheid niet maar herinner me ook dat ik geen kwaad woord over hem mocht zeggen van mijn moeder.

Er brak een tijd aan waar ik mijn mijn moeder het moest zien te rooien. Weinig geld, weinig steun van familie, weinig steun van kennissen die ook niet wisten hoe het precies zat, en eindeloos veel geprocedeer. Vaak moest ze naar Utrecht voor de advocaat of voor een rechtbankbezoek. Het was een lange bikkelharde strijd.
Mijn vader had vrienden bij de lokale VVD, hij was docent en een goede prater. Weliswaar stond hij bekend om een scherpe zeg maar vileine sarcastische tong maar hij had een flinke kennissenkring.

Er maar er was bezoekregeling en ik was er niet van gediend mij om te laten kopen met chocoladerepen om tegen mijn moeder te liegen zoals hij voorstelde. Toen mijn broertje naar de kleuterschool ging, moest mijn broertje uit school halen en ik vond het heel moeilijk als mijn vader ons dan probeerde over te halen met hem mee te gaan.

Ik vond het heel vervelend als mijn vader probeerde de sfeer te verpeten op onze verjaardagen en ik vond het erg mijn moeder verdrietig te zien.
Op zekere dag toen mijn vader eindeloos bleef bellen en op de deuren bonzen goot ik vanuit het badkamerraam een emmer waten naar de ongewenste gast. Het was echt mijn eigen idee, ik kreeg een uitbrander van mijn moeder maar het hielp wel!

  1. isolement

Mijn moeder werd ele ochtend verdrietig wakker, ik ben het normaal gaan vinden.
Toch waren we met ons dries een heel gezellig gezinnetje.
Achteraf begrijp ik wel dat het betrekkelijke isolement waarin wij leefden het voor mij ook moeilijker maakte aansluiting te vinden. Ik voelde me ongemakkelijk in gezelschappen als ik geen doel had dan er te zijn. Te veel vreemde mensen, wat zeg je tegen die mensen?
Verderop in het rijtje woonde een zekere mevrouw van Es, een oudere dorpelinge met haar man. Vaak kwam haar broer die zwaar astmapatient was op bezoek. Lieve mensen die ons wel eens op de koffie vroegen.
Toen ze te oud werden kwam er de familie Nachtegaal. Een familie met 4 volwassen zoons, 2 waren al de deur uit. Ze hadden een eigen eilandje in de plassen en vroegen ons af en toe mee met hun bootje voor een dagje eiland.
Gelovige mensen, kerkgangers maar ook mensen met verstand en mijn moeder was blij nog eens een gesprek over geschiedenis te kunnen voeren met meneer Nachtegaal.
Ze verkocht zelfs een paar oude aquarellen aan zijn zwager. Met pijn in het hart deed ze er afstand van maar ze kon het geld goed gebruiken.

  1. televisie

Mijn moeder kocht een tv en zette die op zolder. daar was de ontvangst het beste denk ik. Het eerste programma dat ik daar zag was de tour de France met Gimondi. En de opera Carmen maakte enorme indruk op me.
We zaten aan de buis gekluisterd met de schaatswedstrijden met de europacup, Swiebertje, ja zuster nee zuster, wie van de acht, willem Duijs, peijton place , erkent u deze melodie van Kick stockhuizen, met de engelse meisjes keken we naar coronation street en Lucille Ball en High Capperall en Rawhide en Bonanza
en met de jongere kinderen naar Lassie, en naar de kijkkastman, een programma waarvan de intro in ons dorp was opgenomen voor er twee huizen gesloppt werden o plats te maken voor een kerkbrink.

Ondertussen werd de nieuwbouw in die jaren uitgebreid. We speelden stiekem in de flatgebouwen in aanbouw. We speelden ook in de grasvelden met gras van een meter hoog en plukten er bossen pinksterbloemen. In de vervallen boomgaard plukten we appels e gingen ermee langs de deuren.
In onze schuur maakte ik een buurthuis met bibliotheek. achter een gordijn zodat we niet tussen de fietsen zaten. Als de bal op het dak terecht kwam door voetballen klom ik op het dak om m te pakken.
Ik werd groot genoeg om boodschappen te doen voor mijn moeder. Het statiegeld van glazen potten en flessen was mijn zakgeld. De zegeltjes eeuws meisje eveneens, net als de zilverzegels van de slagerij (Caspers) in het dorp. Maar voor leverworst gingen we naar een andere slager. Ik bracht het bestelboekje naar kruidenier Centra… die bracht de bestelling een dag later thuis. Ik haalde elke vrijdag een slof Peter Stuyvesant voor mijn moeder en werd door mevrouw de Jong verwend met een gulle hand kokindjes. De aantrekkinskracht van de markt zat m voor een deel in de openingstijd: tot 9 uur in de avond. Gezellig!
Met Penny samen en later met mijn broertje haalde ik vaste prik, elke vrijdag gebakken vis van de Graaff uit Spakenburg. De man en vrouw gingen nog in klederdracht. We haalden een wijting voor de poes, een half pond soesjes of bokkepootjes en een rozijnenbrood op de markt, een zakje pinda’s of knoflooknootjes, een zakje koekkruimels in de hoop dat er ook verdwaalde stukken met stroop tussen zaten, en een enkele keer een warme stroopwafel. Dan verder naar de kaasboer, altijd proeven natuurlijk voor een een pond kaas. Soms haalden we van ons zakgeld een half pond drop. We waren altijd van pan om daar een week mee te doen maar de boem van het zakje wer We gingen langs de groenteboer en de slager. Mijn moeder werd wat mensenschuw.

Met Penny was ik heel ondernemend we bakten elke zaterdag cake en omelet Mijn moeder gaf ons alle vrijheid zolang we hielpen met de boodschappen en alles schoonhielden. We dweilden altijde de vloer en de gang en de trap. We vonden dat nauwelijks een opgave. We deden ons best om de linoleumtegels net zo glanzend te krijgens ons als ons in de reclame werd voorgespiegeld.tuen
mama rookte en elke week ging er een complete slof Syvesant door. Die haalde ik bij mevrouw de Jong, zij had een sigarenwinkeltje naast de kapperszaak van haar broers. Ze tracteerde ons altijd met een grote hand kokindjes.

Meestal gingen we lopend naar het dorp, dat was nog best wel een paar kilometer en soms een gesjouw. Maar het was ook gezellig. Als ik alleen ging nam ik de fiets. E en keer dacht ik op zaterdagmorgen dat mijn fiets uit de schuur gestolen was. Ik hed die in het centrum op slot gezet en was samen met iemand anders van de markt naar huis gelopen. De fiets was ik helemaal vergeten!

  1. openluchtzwembad de Meent

Ik haalde mijn zwemdiploma in het natuurbad aan de Meent (Loosdrechtse Plassen).

Na schooltijd fietste ik geregeld naar het bad in het buitengebied. Het was een mooie tocht, ik genoot van de natuur in de bermen. Voor tien cent kon je een lollie of een spek of een zoute drop kopen dat was lekker als het water koud was en je weer naar huis ging. Ik hield van zwemmen, het leukste vond ik het om te zwemmen naar de tweede paal, die was 400 meter vanaf de kant.
Eenmaal op de middelbare school racht ik mijn broertje vor schooltijd naar zwemles. Tijdens de les zwom ik lekker zo ver mogelijk, genietend van de rust en de watervogels en zangvogels. Voor de jonge knderen maakte de badmeester maakte het water warmer door uit zijn dienstwoning Hatweeo naar buiten te komen met een volle fluitketel kokend water dat hij in het ondiepe bad goot. Er was een hoge springplank en een lage springplank. Als je met vrienden ging zwemmen was een van de uitdagingen zo het water in te springen dat je op de bodem een hand veengrond kom grijpen. De bodem was ontstaan door turfsteken.

  1. schaatsen

In de winters leerde ik op de ijsbaan beter schaatsen. Henk van de Grift woonde in Breukelen. Ik denk dat de 400 meterbaan te danken was aan zijn wereldkampioenschap in 1961. een echte wedstrijdbaan. Niet echt bekend in de streek vond ik toen nog niet mijn weg naar de bevroren plassen bij Breukeleveen.

Ja, dat schaatsen dat was wat in die jaren. We hadden een paar heerlijke winters met sneeuw en ijs en we hadden de internatinale kampioenschappen op tv.De tijd van Ard en Keessie en Jan Bols. Meestal begon het om 13.00 uur en dan kon je een kanon afschieten op straat…. niemand te zien. De venters van brood , melk etc zorgden dat het werk op tijd gedaan was.


  1. schaatsen

Mijn schaatskoorts liep op. Gymastiek op school vond ik echt niet leuk net zo min als de turmvereniging. Ik was daar simpelweg niet voor gebouwd. Een verstuikte enkel was een welkome uitvlucht. Maar zodra er ijs was…

Elk artikeltje over schaatsen knipte ik uit en vond een plaats in een plakboek. De stapel boeken groeide. Ik las over de winters, over de geschiedenis van de schaats en over de mensen die de wedstrijden reden. Toen ik 18 was had ik een meter plakboeken bijeen.
Ik was urenlang rondjes aan het rijden op de ijsbaan buiten het dorp.
Mijn broer de journalist had in de winkel van de elfstedenwinnaar JellePaping (1963 )een paar echte noren voor me gekocht. Omdat ik voor een meisje grote voeten had had hij ze op de groei gekocht: maat 44!
Ik was er toch reuze blij mee en heb daar ook pootje over nog weer beter op geleerd. Op zeker moment kon ik een poosje schaatsen achter een van de mannen die het echt konden. Ze droegen ook allemaal een zelfde trainingspak. Van Zuilen, dat wist ik later, gaf me wat aanwijzingen en vertelde mij dat ze op de ijsbaan in Utrecht trainden. Later hoorde ik dat ze aanvankelijk elke week naar Amsterdam fietsten om op de Jaap Edenbaan te trainen. Toen het dooide vatte ik de moed op zoek te gaan naar de schaatsvereniging. Ik schreef een brief aan mijn idool Stien Kaiser. Tot mijn verbazing en vreugde schreef ze terug en wees me de weg.

  1. kleding

Mijn moeder was niet echt van het handwerken maar toch heeft e een aantal jaren rokken en overgooiers voor me gemaakt en ook voor de buurmeisjes! Soms met een nieuw lapje stof van de markt maar ook met zeer originele samenstellingen uit coupons van gordijnstof.
Met echte patronen kon ze niks aanvangen.. ze tekende zelf iets en gebruikte schaar, spelden en meetlint.
Gordijnen ontstonden ook door het draaien aan de singernaaimachine die eigenlijk een beetje klonk als een vrachtboot die op de Vecht tufte…pa- nne- koe-ke-pa- nne- koe- ke- pa- nne- koe- ke…. sneller of langzamer.

  1. richting middelbare school

In de vijfde klas begon de school de leerlingen voor te bereiden op de middelbare school. Mijn moeder vertelde vaak over wiskunde. Ik hielde van rekenen vanaf het moment dat ik cijfers ontdekte en verheugde me op de wiskundelessen.
Voor kinderen die boven het gemiddelde uitstaken, de kinderen die niet naar de ambachtsschool of de huishoudschool zouden gaan gingen daarom een aantal keren per week een half uur vroeger naar school om extra rekenopgaven te maken en om Frans te leren: papa fume une pipe. De rekensommen van toen zouden de kinderen van groep 8 in 2023 niet meer kunnen maken: enorme sommen oder en boven een deelstreep, sommen waar je Heer van Dalen wacht op Antwoord voor nodig had. En behalve dat waren er nog ze uitdagende redactiesommen.
Thuis volgde ik op zaterdagochtend met mijn moeder samen de tv-teleaccursus van Karel van het Reve en zijn vrouw Russisch. Mijn interesse voor vreemde talen was geboren. De radio was HET middel om te luisteren naar vreemde talen, en dat deed ik dus ook.
Op de radio luisterde ik als kleuter naar kleutertje luisterde als ik ziek thuis was of in de vakanties. De stem van Lili Petersen .. dag kinderen in het hele land. En de liedjes met pianobegeleiding van Herman Broekhuizen. Daarna klonk dan de arbeidsvitaminen.
Inmiddels was ik wel wat ouder maar de arbeidsvitaminen waren gebleven en ik luisterde vaak naar hoorspelen en onvergetelijk zijn de voorleessessies van V=Coen Flinck: De scheepsjongens van Bontekoe.

  1. citotoets

De citotoets in de 6de klas, de hoogste klas toen, maakte ik bijna foutloos. Ik maakte al mijn werk altijd goed en netjes. Ik was geen lastige leerling. Ik was ook niet altijd het eerste klaar met mijnsommen omdat de verveling van saaie sommen mijn gedaachten vaak aan het dwalen brachten. Opletten deed ik wel altijd. School vond ik een fijn toeven. In de vijfde en de zesde nam ik tussen de middag een klasgenoot mee naar huis: Jozef. Eigenlijk heette hij Daniel maar die naam beviel hem niet. Zijn ouders waren kunstenaars, Amsterdammers en woonden in Nieuwersluis in een klein houten huis aan de Vecht. Vader was tekenaar of zo en moeder was meen ik ballerina. Hij woonde te ver van school om tussen de middag thuis te eten, zodoende. De jongen viel op door zijn enorme tekentalent. We konden het goed vinden en in de zesde klas zetten wij samen een plan op om voor de jarige meester in februari een circusvoorstelling te maken met de klas. Dat lukte. Alle klasgenoten voederen een act uit. Wij waren de spreekstalmeesters voor het hooggeeerd publiek.
meer dan een halve eeuw later bedenk ik dat ik zelden bij hem over de vloer kwam.

Maar ook hij kon goed leren en kreeg een het schooladvies: brugklas.
Het fijne was dat inmiddels een HAVO-Atheneum was opgericht in mijn dorp, een Rijksscholengemeenschap. In een grijs uitgebreid noodgegouw bijna tegenover mijn huis was deze experimentele school gebouwd.
Dat was een mooi vooruitzicht, goed bereikbaar.

Mijn verbazing kon niet op toen op zekere donderdagochtend iedereen vertelde over de leuke dingen die ze hadden gedaan op de open dagen van de verschillende scholen. Ik wist van niets en had geen uitnodiging gehad. Hoe zat dat?
Dit schrijvende begrijp ik ook niet dat ik het niet eerder wist, of ben ik dat vergeten en dacht ik dat er nog iets zou komen.
Afijn mijn moeder stapte naar het hoofd der school en hoorde daar dat ze mij niet naar de brugklas durfden te verwijzen omdat ik per slot een kind van gescheiden ouders was en..…
Belachelijk!!!!! Mijn moeder maakte meteen een afspaak met meneer Bosch de directeur van de scholengemeenschap. Hij bleek de man te zijn die dagelijks met zijn teckletje langs ons huis wandelde.
Eind van het liedje was, dat ik gewoon werd toegelaten. En zoveel jaren later was ik de enige van mijn oude klas die een VWOdiploma haalde.
Meneer Bosch was een bijzondere man, hij stond elke ochtend bij de ingang en begroette de toen 600 leerlingen die hij ongeveer allemaal bij naam kende. Ik zou het hem niet nadoen.


  1. Brugklas

Op de eerste schooldag kwam hij kennismaken in elke brugklas:
Jullie zullen merken dat een jaar steeds vlugger voorbij gaat als je ouder wordt.”die uitspraak is me altijd bijgebleven.

Mijn broertje verliet dat jaar het schattige houten kleuterschooltje omringd door hoge bomen, naast mijn school en begon aan de gróte school en ik was daar net verdwenen. Intussen was er in de grote nieuwbouwwijk, breukelen noord een tweede openbare school geopend. Simon kreeg dus ook allemaal andere juffen en meesters.

  1. En hoe zat het nou met de invloed van de echtscheiding op mijn leven?


We hadden het gezellig thuis, mijn moeder draaide wel de dubbeltjes om maar wij waren ons daar niet al te zeer van bewust.
Aanvankelijk had mijn moeder nog een meisje dat hielp in de huishouding Ali, Alida Dobburg. Een vrolijke meid die me wel eens meenam naar Maarssen en me liet zien waar ze woonde: een huisje bij een sluis aan de vecht tussen Breukelen en Maarssen.
Hoe het zat met de betaling weet ik natuurlijk niet maar wel weet ik dat ze graag wilde leen tekenen en tekenlessen kreeg van mijn moeder. Ik mocht ook meedoen.
Hoe het ook zij, tekenen is nooit mijn grote passie geworden. Ik heb e nooit vertrouwen in gekregen dat ik het kon. Les krijgen van je ouders is ook altlijd hachelijk, misschien is dat het. De prestaties van anderen vond ik altijd zoveel beter dat ik het bijltje er vrolijk bij neergooide.

We gingen niet luxe gekleed maar wel netjes en warm. We droegen degelijke schoenen, geen plastic sandalen. Waar ons leven in verschilde met dat van andere kinderen was vooral uitstapjes, vakantie, autobezit, bioscoop, en familie. Feestvieren deden we met ons drie en als we geluk hadden vierde mijn broer Sinterklaas mee.
Een neef van mijn moeder was aangesteld als toeziend voogd. Deze oom Jan was een stuk jonger en had 5 kinderen. Hij haalde mij een keer op om te logeren in Rheden. Mijn 10 de verjaardag vierde ik daar en we gingen feestelijk naar de Sound of Msic met ons allen. Do a deer a female doos waarop je een deksel doet.
Misschien het mooiste verjaardagscadeau uit mijn jeugdjaren. Ik was thuis altijd bezig liedjes op de blokfluit en mondharmonica te spelen en was gek op zingen. Zingen deed ik ook met mijn moeder en broertje. Ik leerde veel liedjes van vroeger.


Elly van oom Jan en tante Rita was even oud als ik en ….. ze hadden heel veel boeken.
Later kwam Ellie met haar jongste broertje bij ons logeren. Het jongetje was net zo oud als Simon. Wij fietsten samen met broertjes achterop naar het zwembad. De jongetjes ontdekten goukevertjes, wat onthoud je toch gekke dingen in je leven.

Toen mijn broer Maarten op zekere dag met een blauwe huurauto, een opel voorreed wist ik het zeker: een opel was de mooiste auto.
Ik denk dat ik 11 was toen hij ons drieen drie dagen mee uit nam naar Belgie en Luxemburg. In Luxemburg had ik het idee dat mijn ogen eruit rolden…. echte bergen!!!
Het was aan mij besteed. grenzen, ander geld, andere talen, de Gentse Steen, sint Niklaas….sowieso een echte vakantie.

  1. vakantietijd

In zomervakanties deden we altijd iets bijzonders, en zeker op mijn verjaardag. Op mijn verjaardag werd ik wakker met een bos bloemen naast mijn bed. Ik kan me niet anders heugen dan dat de zon scheen. Ik toog naar de bakker om de lekkerste gebakjes te halen, echte luxe. Alle gezinnen met kinderen die ik kende waren op vakantie. We nodigden de twee oudere echtparen uit ons rijtje op de koffie en omdat we verder geen bezoek hoefden te verwachten trokken we erop uit.
Zaanse schans, Amsterdam 700, de markt van Schagen, het Muiderslot, Volendam en Marken, Bunschoten Spakenburg, de heksenwaag in Woerden, Teilersmuseum in Haarlem.

We reisden per bus en trein maar als het bereikbaar was gingen we met de fiets met mijn kleine broertje ombeurten achterop. Het wasren fijne zomers. En zeker kwamen we ook een keer bij se Slegte aan de oude Gracht in Utrecht. Met een tas vol aanwinsten naar huis…. boeken!
In Utrecht was in de …domstraat ook een schattig klein winkeltje dat aan mij trok. Het was een smal pand met een hoog raam en daarachter haast alle muziekinstrumenten die ik mij kon voorstellen.
Ik droomde: Als ik ooit geld genoeg heb dan koop ik ……

  1. Gertrud uit Berlijn

Om de vakanties toch een beetje bijzonder te maken had mijn moeder zich gemeld op een oproep van Pax Cristie: gastgezinnen gezocht voor arme kinderen uit Berlijn.
Bij ons werd een vrolijk witblond meisje afgeleverd. Ze was net zo groot als Simon van 6 maar wel net zo oud als ik namelijk 12.
Het was gezellig, ik denk dat daar mij liefde voor de duitse taal gewekt werd. Gertrud kwam uit ee gezin van 12 kinderen, 6 jongens en 6 meisjes. Ze sliepen op 1 kamer. een rij jongens en een rij meisjes. Haar ouddste zus ging al jaren naar Spanje met Pax Chistie. Gertrud had niet veel. Haar moeder had haar voor de 6 weken in Holland 2 nieuwe jurken gegeven, kunststof jurken waar ze heel blij mee was; normaal kreeg ze alleen de afdankertjes van oudere zussen.
Wij kochten nieuw ondergoed voor haar en waren verbaasd over de blijdschap. Neue unterwasche Guck mal, ze kon haar geluk niet op. En uit medelijden begn mijn moeder aan het naaien van wat extra kleding. Gertrud had oo geld meegekregen van haar moeder om een Puppe uit Volendam mee naar Berlijn te kunnen nemen.
We gingen dus een dagje naar Volendam en Marken. Alles wat we haar gaven werd gekoesterd. Niet dat het bijzondere zaken waren: een schetsboek, potloden viltstiften. Ze verzkerde ons dat ze het op school aan de juf in bewaring zou geven zodat broer en zussen het niet zouden gebruiken. Ze had nooit eerder iets voor zichzelf.
Wij begrepen des te beter hoe goed we het hadden.

6 weken (!) vlogen voorbij. Gertrud heb ik nooit meer gezien, jammer. Dat komt deels omdat mijn moeder het idee onverdragelijk vond dat het meisje hier “onze weelde” beleefd had en weer teruggestort werd in een uitzichtsloze kansenarmoede. Wordt ze daar gelukkiger van?
Ze had zelf in haar jeugd ervaren hoe het was om regematig in een prettiger gezinsmilieu te mogen proeven.
Zelf zag ik dat later anders en als moeder heb ik ook mijn dochters kennis laten maken met kinderen via Pax Christie.

Ik ben nu 66 heb ik nog steed contact met hun en heb ik het idee dat ik toch heb kunnen bijdragen aan de moed en de wil van deze meisjes om kans te zien en te grijpen om zich uit de cultuur van armoede te ontworstelen.

  1. een broer op Aruba

Een nieuwe school voor ons maar voor mijn broer Maarten ook een nieuwe stap. Hij werkte als journalist bij het vaderland en bracht vaak restanten drukrollen mee waar we op konden tekenen en schrijven, bijzondere persfoto’s ook.
Hij werd opgeroepen voor vervulling van zijn dienstplicht. Hij, de jongen die in Den Haag provocerend met klompen had rondgestapt, hij ging in opleiding bij het korps Mariniers in Doorn.
Ik herinner mij hoe hij liet zien dat hij zijn dekens had moeten borduren met zijn nummer en hij kwam thuis in een prachtig uniform, we zagen hem iets vaker.
Na niet al te lange tijd kon hij , mits een half jaar langer dienend, een jaar naar Aruba.

Dat betekende veel prachtige brieven van ver weg. Ik spaarde postzegels dus dat was een feest. Het leverde mij een penvriendin op, Tineke. En ik verdiepte mij extra in alles wat met de overzeese gebiedsdelen van on Koninkrijk te maken had. Je kon je bij een of ander ministerie gratis abbonneren op een maandblad met prachtige foto’s en artikelen. In het verlengde daarvan ontdekte ik ook van die mooie gratis tijdschriften over zuid-Afrika. Rijkdom!

Ik viel meteen voor de muziek met steeldrums en andere vrolijkheid. En de kleurige kleding pakte mij ook in, wie zou daar niet vrolijk van worden.Ik was en ben ook altijd gebleven, dol op klederdrachten. In die kleding zit zoveel informatie over de cultuur over de geschiedenis.

Mijn broer maakte van de gelegenheid een uitstapje te maken naar Jamaica en een tijdelijk vriendinntje met mijn naam stuurde mij een prachtige pop in traditionele dracht van haar eiland. Wij boften toch maar.

Mijn eerste spreekbeurt, in de eerste klas ging dus over Aruba. Ik geloof dat al mijn klasgenoten elke vakantie wel in het buitenland kwamen. Mijn spreekbeurt was lang maar mijn klasgenoten gaven me unaniem een 10 en de leraar was ervan overtuigd dat ik zelf op het eiland geweest was!

  1. Schoonzus Ineke, Tijnje in Friesland

Toen Maarten weer in Nederland was vond hij een baan bij de Zwolsche Courant en het duurde niet lang of hij kwam met zijn vriendin, een collega thuis. We waren dol op Ineke. We gingen met ons vijven gezellig een weekje echt op vakantie in een boerderijtje op het Friese platteland. Het was heerlijk. We werden wakker van het rammelen van de melkbussen als de boer op weg was naar zijn koeien. De eendjes en kuitens in de sloot. Mijn moeder kreeg de kriebel in haar vingers en kocht in het dichtsbijzijnde dorpswinkeltje een schetsboekje en en extra kleurpotloden.
Als ik nu nog kijk naar de tekeningen van toen denk ik: wat een ondergewaardeerd materiaal is kleurpotlood.

Het mondde uit in het eerste en enig bruiloftsfeest dat ik in mijn jeugd meemaakte. Voor mijn broer moet het lastig geweest zijn beide ouders wilden niet tegelijkertijd op de feestdag aanwezig zijn.

Ineke kwam uit een Rooms gezin met 7 kinderen. De bruiloft vond plaats in Deurne en wij logeerden bij de ouders van de bruid.
We sloten vriendschap met alle kinderen. Ik herinner me dat ik meeging met de jongste zus, Bernadette. Zij was van mijn leeftijd en ze nam me mee naar de soos waar geschuifeld werd in schemerige verlichtin.
De avond voor het feest kon mijn moeder het niet laten. Ze zag een piano staan en zomaar begon ze Schubert te spelen, walsen van Strauss en meer. Mijn mond viel open van verbazing. Waarom hebben wij tuis geen piano? Waarom heb ik nooit de gelegenheid gahad om piano te leren spelen? Het liet me niet los.

Maarten en Ineke lieten me logeren in hun huisje in ’s Heerenbroek bij Zwolle, zo zag ik weer wat van de wereld. En ja, Simon en ik werden oom en tante! Een lief klein meisje: Famke.
En een paar jaar later kwam daar, inmiddels in Goes, een neefje bij.
We waren dol op de kindjes en hun ouders en hadden veel contact.

  1. weer een scheiding

Maar het noodlot sloeg toe. Het gezin hield geen stand, de schoonzus maakte plaats voor de buurvrouw met haar kinderen.
Mijn moeder was zeer teleurgesteld en verbrak niet de band met haar schoondochter. Echter in verloop van jaren werden de verschillende nieuwe relaties van Maarten en Ineke steeds lastiger.
Mijn broertje en ik logeerden nog steeds bij broer maar ook bij schoonzus.
Uiteindelijk was het duidelijk dat we meer voor de schoonzus voelden.

Mijn broer vond de middelen om alsnog te gaan studeren. In Leiden begon hij aan Egyptologie, geen rare keuze voor een jongen die altijd archeoloog had willen zijn. En ook zijn vriendin begon aan deze studie.
Zijn nieuwe vriendenkring en daarnaast zijn relatie met zijn vriendin en haar kinderen lieten weinig ruimte voor broertje en zusje.

Mijn moeder die al zoveel in relatiesfeer kapot had zien gaan sloot zich meer en meer af. Achteraf begrijp ik dat ze het niet langer meer aankon eerst mee te delen in de vreugde, zich te hechten aan mensen en hen dan weer kwijt te raken.

Ze koos voor de omstandigheden waarin je niet meer zou verliezen, weg van de smart, van de pijn.
Zo werd de familie toch min of meer kleiner.

  1. kinderrechter

De echtscheiding vn mijn ouders nam vele jaren in beslag en toen ik 15 was moest ik persoonlijk bij de rechter komen om te spreken over de wens van mijn vader; een bezoekregeling.
Ik voelde er hogenaamd niets voor. Ik had brieven onder ogen gekregen die bedoeld waren om mijn moeder te kwetsen. Toen ik mijn moeder gebroken in haar stoel zag liggen met een brief in haar hand eiste ik de inhoud te mogen lezen. Mijn vader suggereerde dat ik wellicht het kind van de melkboer was. Achteraf denk ik dat dat voor mij het moment was dat ik dacht: nee, ik wil je nooi meer terug als vader. Deze man die mijn moeder treitert, zwart maakt door roddels te verspreiden, deze man die wil dat ik lieg tegen mijn moeder, de man die probeert mijn broertje mee te lokken, de man die mij een doodschrik bezorgt dor op ee donkere Sinterklaasavond als ik de schuur op slot draai opeens vanuit de bosjes achter mijn tuin met een diepe stem zich tot mij te richt. De man die met woeste lange haren een wit pak en puntschoenen opeens opduikt op een schoolsportdag van mijn broertje waardoor de jongen twee km naar huis rent helemaal overstuur. Zijn klasgenoten kwamen naar hem toe: Simon, daar staat een man die zegt dat hij je vader is.
De man die zorgde dat mijn moeder steeds opnieuw naar de gemeente moest om het tekort aan alimantatie tijdelijk op te vullen, en ook de man die ker op keer gewoon maandenlang geen alimentatie overmaakte. Hoe kon ik aan deze man een goede gedachte hebben? Ik herinnerde mij ook de hoogoplopende ruzies tussen hem en mijn broer in den Haag en de vreselijke klappen die ik zelf had opgelopen.
Na het gesprek ging ik opgelucht naar huis, ik hoefde geen contact met mijn vader te onderhouden. Mijn vader die vond dat hij dan ook geen alimentatie hoefde te betalen had zich maar te schikken.

Mijn vader had intussen een betere baan gevonden. Hij werkte als wetenschappelijk hoofdambtenaar op het CBS in den Haag. Zijn salaris was er enorm op vooruit gegaan maar de pesterijen en het uitblijven van betalingen hielden aan.

Weinig opmerkingen van buitenstaanders konden me zo chagrijnig maken als … zou je niet….. hij is wèl je vader.
Ze hadden hèm zoals de rechter deed, moeten benaderen met …. zij zijn wèl jouw kinderen!

  1. de huurbaas

Mijn vaders afscheid van Nijenrode had voor ons vervelende gevolgen. Omdat ons huurhuis eigenlijk bedoeld was voor docenten va Nijenrode vond de verhuurder dat we eruit moesten. Ze konden ons niet zomaar de huur opzeggen dus probeerden ze dat te bewerkstelligen door geen of veel te laat onderhoud te plegen. Kapotte ioleringen, lekken in een dak….heel vervelend.

Mijn moeder wilde wel weg, hoe eerder hoe leiever. En dan ook meteen ver van Breukelen vandaan. Echter, een gescheiden vrouw, een bijstandsmoeder was geen welkome inwoner in andere gemeenten. Ons sloeg de schrik om het hart toen ze voorstelde om desnoods naar Zeeland te verhuizen. Zeeland??? Uitgesloten!!! Daar kan je nooit schaatsen en er is niet eens een kunstijsbaan.


  1. de krant

De enige luxe die mijn moeder zich permitteerde was een abonnement op de kwaliteitskrant NRC. Die krant werd uitgespeld. Vaak schreef mijn moeder op haar typemachine een ingezonden brief en meer dan eens werd deze door de redactie ook geplaatst.

Maar die krant was duur. Opgroeiende kinderen waren ook duur.
Als de krant niet bezorgd werd ging mijn moeder erachteraan. Zo gebeurde het dat zij op een dag besloot een klacht te sturen naar de krant met iets in de rant van. Mijn dochter van 15 zou het beter doen. Het gevolg was dat ik toen ik uit school kwam een man met mijn moeder aan de koffie trof. Judith dit is meneer Legel.
Meneer Legel was op zoek naar nieuwe krantenbezorgers en werd aangetrokken door de briefkaart. Hij wilde even zien wat voor vlees hij in de kuip had en of ik het werk wilde aanpakken. Het resulteerde in goed betaalde aktiviteiten een prachtige fietstas, 6 weken vakantiegeld een gratis abonnement en het openen van een bank-girorekening. In de vakanties kon ik doorbezorgen of van het vakantiegeld een ander betalen.
Een paar weken inde ik het geld van de gele kartonnen cheque met ponsgaatjes; mijn eerste zelfverdiende geld. Ik meen dat het iets meer was dan 17 gulden. Al snel werden de verdiensten vermeerderd door ook het weekblad de Elsevier erbij aan te nemen. Zelfde uitgever.
De Elsevier viel op zaterdag in de bussen en mijn broertje hielp me meestal. Dat was heel gezellig.

Toen we dat jaar met de kerstdagen om tafel zaten om net als alle jaren kerstkaarten te maken zat ik me af te vragen hoe ik in godsnaam langs de deuren moest gaan om nieuwjaarsgeld op te halen.
Als bedelaar langs de deuren, dat stond me helemaal niet aan. Daar was ik veel te verlegen voor.
Wel, zei mijn moeder dan zorgen we dat je wat aan te bieden hebt.
In die tijd was het nog niet gebruikelijk dat de krantenuitgever hun bezorgers voorzag van kaartjes met
uw bezorger wenst u…
We maken een linosnede. Zo gezegd zo gedaan. Mijn moeder maakte een prachtig ontwerp, meer dan een trouwens. De kerk van Breukelen in de sneeuw en een krantenbezorger in de sneeuw en mijn broertje sneed die uit linoleum en samen maakten we een stapel prachtige afrdukken. Broer en zus gingen samen langs de deuren en het bracht een lieve spaarcent op en ook veel waardering voor het kaartje zelf.

  1. hardrijderveniging

Door mijn eigen verdiensten kon ik passende schaatsen kopen en het lidmaatschap van een schaatsvereniging betalen en wat meer…. de dure uren op de kunstijsbaan.
Mijn eerste kennismaking met de hardrijdersvereniging de Vechtstreek was een zomertraining in het gemeenteplantsoen aan de Vecht rondom het gemeentehuis. Het zal ergens in het voorjaar zijn geweest.
Ook al van mijn krantengeld had ik een fiets die een beetje op een racefiets leek gekocht en weldra kon ik ook twee maal in de week mee met de fietstrainingen. dat was niet mis. de anderen hadden allemaal superlichte echte racefietsen, maar ik hield het dapper bij. Zo zeer dat op zekere dag een van de jongens die heel wat jaartjes ouder waren dan ik zei: ” hoe jij ons bij kan houden, begrijp ik niet”
De trainer , die voor de vereniging een soort vader was ging het volgende seizoen met me mee om een echte racefiets te kopen en voor al het sleutel en opbouwwerk kon ik bij hem terecht. Trouwens iedereen hielp elkaar. In die tijd was een meisje op een racefiets nog iets ongewoons. Ik kreeg regelmatig de vraag hoe ik kon opstappen op een fiets met een stang. Joggende mensen zag je zelden op straat en oudere mensen die over straat hardliepen zoals nu was gek, oudere vrouwen die joggen…was ondenkbaar.

Stien Kaiser, onze nationale en Europese schaatskampioen had ruzie met de bondscoach omdat de man/trainer een vrouw van wel 24 jaar simpelweg te oud vond voor een kernploeg. Prompt verscheen er een tweede vrouw “op leeftijd” Atje Keulen-Deelstra, een boerin met kinderen. De sportwereld werd wakker. Ik genoot want de geschiedenis van vrouwenemancipatie sprak me altijd aan. Deze ontwikkelingen vond ik net zo belangrijk als die van afschaffing van slavernij, horigheid, armoede etc.

  1. de schaatsfamilie

Op de schaatsclub waren meisjes ook veruit in de minderheid. De jongens waen heel galant: “uh…er zijn dames bij” als het taalgebruik daartoe aanleiding gaf en ….
meisjes kregen de kans niet om onderweg hun band te plakken. “Lek!!! Judith heeft lek. Voor ik het wist stonden er drie jomgens aan mijn fiets te rommelen en vlug kon ik weer verder. Het gevolg was dat ik niet ver weg alleen durfde te fietsen want stel je voor dat ik dat achterwiel met die derailleur niet meer terug wist te plaatsen.

Op school was niemand lid van een schaatsvereniging. Er was een buitengewoon goede volleybalvereniging met superfanatiekelingen voor wie je het nooit goed kon doen. Turnen voor de gym vond ik een verschrikkeng; borswaarts om en vogelnestjes. Alleen de buitenlessen, ver buiten school op de drooggevallen ijsbaan stonden me aan. Hockey vond ik leuk omdat ik een beter uithoudingsvermogen had, de verschillende atletiekonderdelen vond ik leuk. Sprinten vond ik een ramp maar een lange afstand rennen, dat lag me dan weer wel. Meer dan saai vond ik de softballessen.


Op de schaatsvereniging waren juist nauwelijks leden die “hoger” leerden dan mavo. Ik voelde soms totaal onterechte bewondering want zij waren niet dommer dan ik.
Kortom ik was overal een beetje buitenbeentje, maar ik vond het niet erg. Maar ik was me er wel van bewust.

  1. passie

Ik had nooit het idee dat ik kampioen moest of zou worden, ik vond het simpelweg leuk, schaatsen en fietsen en het was leuk om je te verbeteren. Dat deed ik dus ook. In de zomer was er een loopcompetitie met afstanden van 15 km, we hadden een fietscompetitie met tijdritten, we hadden een Ardennentocht, een Zevenheuvelen-tocht, een eigen pinkstertocht, de Elfstedentocht, tijdrit op de Posbank. We reden veel in samenwerking met andere verenigingen en zo kwam je veel mensen uit andere verenigingen ook tegen als er geen ijs lag.
Ik was fanatiek in het trainen.: maandagavond ijs, dinsdag in de zaal, woensdag op het ijs vrijdag een wedstrijd en zaterdagochtend training en evt. zondagavond danwel ochtend weer een wedstrijd op het ijs. De marathonwedstrijden op ijs waren er nog niet. Het zou misschien iets voor me zijn geweest hoewel…. ellebogenwerk lag me ook op de fiets niet. Tijdritten vond ik leuker. In de zomer was er een trainingskamp in het Sauerland, daar genoot ik enorm van.

  1. geen fanclub


Omdat ik geen back-up had van ouders met een auto zorgden allerlei leden ervoor dat ik altijd met iemand kom meerijden naar wedstrijden. Op zondag werd er gepoeld en vaak gingen we daarna bij een van de mensen thuis koffiedrinken. Bij de fietswedstrijden stonden er altijd ouders met koffie en koek langs de kant… gezelligheid en hulpvaardigheid alom. Families Nelemans en Voorneveld waren onvermoeibaar, wat een schatten.

Ik was de enige die nooit fans meebracht totdat mijn broertje in mijn voetsporen trad en ook lid werd van de schaatsclub. de

Naar de trainingen reed ik op de fiets, van Breukelen naar Overvecht en met z’n twee was dat natuurlijk veel gezelliger.

  1. Vriendinnen

Vriendinnen op school? Ja, die waren er ook maar misschien was ik in bepaalde opzichten altijd wat serieuzer en in andere wat onnozel. Gezever over taillematen en gespleten of dooie haarpunten kon me niet boeien, make-up netzomin. Onder de make-up voelde ik me niet mijzelf dus besteedde ik er geen cent aan. Het schaatsen liet me weinig tijd voor feestjes denk ik.
Maar wat ik betreurde was dat ik zo dicht bij school woonde. Alle andere klasgenoten konden samen naar school fietsen ik was de enige die zo dichtbij woonde. Vriendinnen woonden in Loenersloot, aan de andere kant van de Vecht te hoogte van Nieuwersluis, in Abcoude in Breukeleveen en in Tienhoven en Maarssen. De groepjes waren deels al gevormd op de basisscholen. Ik was jaloers op de groepjes die samen naar huis moesten trappen. Soms nam ik een zwik klasgenoten in een tussenuur mee naar huis om chocolademelk te drinken.
En natuurlijk fietste ik ook wel met hun mee om samen huiswerk te maken of samen te gaan zwemmen.
Mijn beste vriendinnen waren beiden boerendochters die, de overeenkomst zie je later, ook buitenbeentjes waren omdat ze uit een milieu kwamen waar ze eersten waren die doorleerden en afgelegen woonden.
Waarin ik ook verschilde was mijn muzieksmaak. Ik luisterde graag naar volksmuziek, naar operette en opera. Omdat ik altijd ongegeneerd meezong en de buurman mij vaak hoorde kreeg ik van hem een kaartje voor een echte opera toen hij zelf niet kon. Helemaal in mijn eentje ging ik naar de schouwburg in Utrecht en keek en luisterde naar Idomeneo van Mozart. Van het verhaal begreep ik misschien niet zo veel maar de muziek vond ik prachtig. Het was de eerste keer dat ik een echt orkest meemaakte.

  1. zangles

De Engelse buurman had mijn moeder gezegd dat ik op zangles moest. Leuk gezegd, maar waar, en was het de moeite waard, wie betaalt dat? Willem Duijs met zijn programma voor de vuist weg was in die dagen razend populair. Op de radio had hij ook een programma gewijd aan vooral licht-klassieke muziek. Van een razen populaire versie van de 40ste symfonie van Mozart tweede deel liet hij op een zondag de originele versie horen. Ik vond het betoverend mooi. Er was een hoorspel op de radio geweest waarvan ik de muziek vooral mooi vond: eine kleine Nachtmusik. Deze presentator duwde ook de zingende huisvrouw Christina Deutekom naar voren. Zij ondervond tegenwerking in de muzikale kringen omdat ze geen conservatorium opleiding had en vooral dankzij haar natuurtalent en deelnemen in de amateuroperette van Amsterdam boven was komen drijven. Ze werd wereldberoemd en bleef desondanks een rondborstige goedlachse niet arrogante Amsterdamse volksvrouw.
Van heel veel programma’s en series onthield ik vooral de mooie muziek. Bijvoorbeeld ook van het Franse Belle et Sebastien of de Vlaamse Johan en de Alverman.
Ik had een cassetterecorder gekocht en die gebruikte ik onder meer om tweestemmig te kunnen spelen op de blokfluit.
Mijn moeder vroeg bij Willem Duijs om raad en kreeg als antwoord dat we een afspraak te maken met de Amsterdamse zangpedagoge Bep Ogterop…
Ze woonde in Amsterdam en het was een rare ervaring. Toen ik haar zag kon ik me niet voorstellen dat dit kleine gezette vrouwtje enig gezag had in de zangwereld. Ze paste als type uitstekend in de serie van Coronation street.

De opdracht was studeer thuis een liedje in. Ik had geen idee en koos een nummer uit de Fledermaus waarin de overspelige vrouw zingt hoe ze zich in allerlei hoedanigheden zou voordoen en een liedje van Udo Jurgens met een klassiek karakter. De afspraak was om 10 uur ergens in een Amsterdams grachtenhuis. We kwamen netjes op tijd, te vroeg eigenlijk. Het was 5 voor 11 en op de bel volgde geen reactie eerder dan na 5 minuten. We klommen een steile trap op en kregen ene stoel aangeboden. We moesten vooraf betalen, want ze had de ervaring dat mensen bij een tegenvallend advies wel eens moeilijk deden.

Daarna moest ik een riedeltje zingen op lalala LA lalala boos, verdrietig vrolijk verliefd etc.
Afijn ook als viswijf, ze zou het mij wel eens even voordoen. Ze liep de kamer uit, stoof zingend binnen, smeet de deur in het slot stampvoette… Tja, dat had ik niet gedurfd hoewel ik thuis wel eens flink uit mijn slof kon schieten. Dat doe je niet zomaar in een onbekende omgeving.
Se hebbe in Breukele seker geen viswijf! was de reactie. Vervolgens zat ze irritant door mijn liedjes heen te tikken. Pas op de terugweg drong tot me door dat dat niet was uit pesterij maar om te testen hoe toonvast ik was. het oordeel luidde: geschikt voor de opera, zeer muzikaal, prachtige stem. Maar dat gebit, daar moet je iets aan laten doen enne je bent gewoon niet wuft genoeg. Om aan dat laatste eerst maar eens te werken zou ik een paar jaar bij de operette moeten gaan. Wellicht was de Amsterdamse operettewereld een andere dan die in Utrecht maar nadat ik in Utrecht een uitvoering had bijgewoond van een Lehar-operette besloot ik dat ik liever bleef schaatsen. Het publiek zat mee te zingen en ik vond- hoe arrogant de hoofdrollen niet goed genoeg gezongen.

haha, mijn muziekcarrière in de kiem gesmoord nog voor die goed en wel geboren was.

Nu denk ik jammer maar ondertussen heb ik ook veel andere dingen genoten. Het was anders gegaan als ik wat meer begeleid was, als i niet overal alleen op af had moeten stappen. Van spijt is geen sprake.

  1. Inzell

In de vierde klas ging ik mee op trainingskamp naar Inzell. Ik had hard gespaard om de 600 gulden op te brengen, een gewatteerde jas te kopen en een paar schoenen waarmee ik de sneeuw kon trotseren. Sbowboots vond ik een onverantwoorde uitgave. Ik kwam uit bij een paar hogergesloten leren schoenen met een spekzool.
Er lag sneeuw in het wintersportdorp. Langs de straatkanten vormden bewoners muurtjes van sneeuw. De daken werden dagelijks schoongeschept. Er ging een nieuwe wereld voor me open, een kerstlandschap kwam tot leven. Hoewel het koud was en winter merkte ik dat ik geen koude voeten kreeg zoals ik gewoon was.

Maar ik had pech, na een paar dagen was de pret over ik had mijn knie ernstig geblesseerd en.. ik moest thuis ook nog 6 weken rust houden.
In die tijd is er nooit een leraar geweest om me een beetje bij te houden. Toen ik eindelijk weer op school kwam had ik het gevoel dat ik uit een ander land kwam. Ik begreep niet meer waar ze het over hadden met natuurkunde en wiskunde en liet mij totaal ontmoedigen. Wat ik fout deed met scheikunde begreep ik niet, ik deed echt mijn best. Ik deed het jaar over.
En met een andere leraar voor scheikunde haalde ik allen nog maar tienen en bleek de vierde klas echt niet moeilijk.

  1. van beta naar alfa

In de 5de klas kreeg ik een vreselijk vervelende mijn mentor, de aardrijkskundelerares. Toen ik totaal ongeïnteresseerd een verkeerd antwoord gaf op een vraag over de windrichtingen op het zuidelijk halfrond wist ze het zeker. Ik was niet geschikt voor de betakant. De natuurkundeleraar kon geen orde houden en dus niet uitleggen de wiskundeleraar was een snelle jonge die zo zijn lievelingetjes had onder sommige meisjes. meneer Verbeek de knappe man met de sportauto. Hij kwam bij opgedirkte meisjes erg graag uitleg geven aan het tafeltje.

De waarheid was, dat zie ik nu: dat ik heel goed en met veel plezier leerde als er gepassioneerde leraren lesgaven. Dat was zo met Duits, en Engels en in de lagere klassen ook met een wis en natuurkundedocent, met de buitengewone biologieleraar die zelfs amoebes boeiend wist te maken. Het idee dat ik van deze draak van een mentrix af zou zijn door over te stappen van B naar A schrok me niet af. De enige hindernis was de scheikundeleraar Arend. Hij bleek helemaal niet gekend in het besluit, – raar!- en was verbijsterd; een van mijn beste leerlingen , dat meen je toch niet!


Zo begon ik samen met een vriendin na de kerstvakantie in 5a. Ik volgde de facultatieve lessen Spaans en we hoefden van de economieleraar slechts de macro-economie te volgen geen bedrijfseconomie, als we tenminste een paar formules zelf konden bedenken. Wel, dat vonden we een makkie, en de overige vakken deden we met veel plezier.

  1. Rensa

Ik merkte wel dat ik een extra ruggesteuntje had in het leren door een moeder te hebben die veel meer schoolse en intellectuele bagage had dan die van Rensa. Rensa was een schat van een meid. Ze was een knappe verschijning, lang met donkere brune ogen een heel blanke huis en lang golvend donkerbruin haar, rode lippen en altijd een ezonde blos op de wangen. Ze zag er eigenlijk onnederlands uit. Ze had op de katolieke lagere school gezeten en in die tijd was zij , ik geloofde mijn oren niet elke morgen te voet naar school gegaan om eerst naar de kerk te gaan en pas daarna een broodje te eten als ontbijt.

Zij woonde op een boerderij en we kwamen geregeld bij elkaar over de vloer. Haar vader was een stugge boer altijd druk bezig met zijn koeien hij deed geen enkele poging tot contact. Zo anders was haar moeder: een zachtmoedige goedlachse vrouw. In de zomervakantie gingen we samen op fietsvakantie met als uitvalsbasis een oom en tante van haar in Nijmegen.

Mijn boekenlijst stond vol titels van boeken die ongewoon waren. Op mijn zeer linkse school scoorden de meesten met was van ’t Reve en Wolkers. Ik koos bij voorkeur juist die titels die anderen niet kozen en ik maakte geen gebruik van uittrekselboeken. Mijn werkstuk had als thema de vrouw in de literatuur, schrijfsters zowel als hoofdpersonen. Mijn favoriete boek: Majoor Frans. Toen ik meer dan 20 jaar later mijn dochter kwam aanmelden op dezelfde school bleek de leraar nederlands er nog steeds te werken en hij had de titel van mijn werkstuk onhouden, ik niet. Ik durfde er zelfs een streekroman van Marie van Zeggelen op te zetten. Een bijzonder verhaal dat zich afspeelde in een van de prachtige buitens aan de Vecht, geramantiseerde historie. We brachten een bezoek aan een van de nazaten Doude van Troostwijk die niet meer in het oorspronkelijke hoofdhuis woonde maar in het koetshuis We werkten samen aan veel werkstukken en in het 6de jaar haalden we met een uitstekende lijst ons diploma.

  1. eindexamen

We hadden thuis een kamer verhuurd aan een studente uit Leerdam: Aafke Dijkhuizen. Aafke was een vrolijke vlotte meid die haar kamer vor de helft paars geverfd had en de andere muren met behang vol grote bloemen had versierd. Haar vader kwam bij ons thuis om mij te feliciteren. Hij was leliekweker en bracht zodoende een enorme bos lelies mee. Van mijn moeder kreeg ik een pocketcamera.

  1. Frankrijk

Het was de tijd van de Franse chansons. In de lessen Frans werd daar ook veel aandacht aan besteed. Wie het idee opperde weet ik niet meer, ik denk Rensa. In de twee weken tijd die we op de uitslag van het examen moesten wachten zouden we naar Frankrijk. We waren allebei goed in Frans en Rensa bleek in Noord Frankrijk, niet ver van Reims een paar geëmigreerde boeren in de Familie te hebben bij wie we mochten logeren. We boekten en goedkoop studentenkaartje en met de fiets in de trein reisden we erheen. Bagage in een kleine rugzak uit de legerdump. Noord Frankrijk in de brandende zomerzon, een boerderij te midden van onafzienbare goudgele graanvelden. Ik weet de naam van het kleine ontoegankelijk dorpje niet meer. waar we heen fietsten van af de trein. We werden ontvangen stelden ons voor en sloegen ons piepkleine tentje op op het terrein naast het hoofdgebouw. De eerste dagen trokken we er met de fiets op uit maar de derde dag sloeg het noodlot toe. Maar betrekkelijk hoor, een lekke band. De band bleek niet te plakken en er bleek geen fietsenmaker te vinden met een nieuwe band in de juiste maat. Dat betekende het einde van de fietstochten. Niet uit het veld geslagen besloten we dan maar het een en ander per trein te ondernemen. Maar na ee paar dagen kregen we te verstaan dat we wek moesten. De verre tante vnd de aanwezigheid van de wee aantrekkelijke Hollandse meisjes veel te gevaarlijk voor de zoons die er rondliepen. Ze kwamen ons in de lange zomeravonden maar al te graag gezelschap houden maar de vrouw des huizes had besloten dat de jongens hun hoofd op hol sloeg. Wij vonden het grappig onze kennis van het Frans eindelijk een s te kunnen toepassen. Ik heb er een franse tongbeker aan onthouden: un bon chasseur doit savoir chasser sans son chien.
De oudere dochter bracht ons naar de dichtstbijzijnde camping ergens op een heuvel. Daardoor waren we 7. km verwijderd van het dichtsbijzijnde treinstation en 5 km lopen van een bushalte. We trokken ons er niets van aan en gebruikten onze benen goed. Vroeg in de morgen g

ingen we op pad en vroeg in de avond keerden we terug. Onderweg kochten we quiches, stokbrood en verlepte groenten. Franse keuken? Wij raakten overtuigd van een slechte smaak van Fransen voor groenten. Wat wij troffen n een groentewinkeltje zou in Nederland niet gekocht worden.
Ons plezier was er niet minder om. Het was het jaar van de beroemde Noord-Franse kathedralen en we bezochten er heel veel en genoten.

Rensa ging naar Schoevers, iets wat ik echt niet kon begrijpen. Leren typen, leek me zo saai en secretaresse leek mij een ongeëmancipeerd beroep. Onzin achteraf.
Zelf had ik mijn droom veeartsenij laten varen toen men zei dat vrouwen alleen in aanmerking kwamen voor huisdiergeneeskunde. Tolkenopleiding was onbereikbaar als je niet tweetalig was opgegroeid. Lesgeven leek me leuk, ik deed het al aan jonge schaatser. Ik leerde kinderen uit de buurt lezen, ik hielp natuurlijk mijn broertje. Ik had mijn buurmeisje leren blokfluiten. Maar lesgeven op een middelbare school leek me een gruwel. Ik zag er ook veel te jong uit om daar enig overwicht te hebben leek het mij toe. Hoe dol ik ook was op talen wat kon je worden met een studie Duits of Frans? Leraar! Rechten leek mij ook een mooie studie het vak van advocaat leek me een prachtig beroep.
Maar mijn moeder vond dat een onzalige keuze omdat het voor haar gevoel alleen maar werd ingegeven door de ellendige echtscheidingsprocessen.
Ik wilde het mijn moeder niet moeilijk maken.

Nee, dan de lagere school. Daar had je intensiever contact met de kinderen en had je wat aan een brede interesse. Mijn slogan, ontstaan door de moeite om een goede keuze te maken was
Ik ben het slachtoffer van mijn brede belangstelling.
Na een gesprek waarin men mij aan de tand voelde over mijn motivatie werd ik aangenomen op de Rijks pedagogische Academie te Utrecht. Boven de ingang van de school stond:

Rijkskweekschool.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

(wilde) witte katten, onze lieve zwervers; Maisie en Majus

En plotseling was hij daar: een grote witte kater. Wit met hier en daar wat wat rood en rood in de staart. Dat was dus de kat, die we al dagenlang hadden horen mauwen. Een jonge krolse kater in de kracht van zijn leven met een forse kop op een dikke nek.

Hij leek wel familie van het katje dat we een jaar eerder aan de aarde hadden toevertrouwd. Een schattig vooral wit katje dat we op een avond uit een maisveld hadden geplukt. We liepen naar huis na een avondje biljarten op een mooie zomeravond. De maan scheen en we namen de weg door het Savelsbos. Onderweg hoorden we jonge uilen krassen in hun nest en toen we het bos uitkwamen en langs een hoge meidoornhaag die tussen het pad en een maisveld liep klonk er een klagelijk gehuil. Het leek wel een huilende baby.

Het bleek inderdaad een baby, maar dan wel en mensenbaby. We ontdekten de geluidsbron en door de stekelige struiken heen zagen we een klein wit bolletje waarin af en toe een paar oogjes opflakkerden in het schijnsel van de telefoon:
een verlaten kitten. In geen velden of wegen waren andere katjes of moederpoes te zien. Het kleine diertje kwam een klein beetje onze richting op. Doorlopen?

De andere dag zou het maisveld gemaaid worden. Wat nu?

Hoe kom ik daar? De haag was niet makkelijk te trotseren maar voor hulpverlening had ik wel wat schrammen over.

Tussen de mais kwam ik dichterbij maar het leek wel een kat en muisspel. als ik in de goede rij naderde verhuisde het kleine diertje een rij hogerop. Kortom, het schoot niet op.

Moedeloos begaf ik me weer naar de andere kant van de haag. Maar toch… het knaagde.

Het poesje liep met ons op aan de andere kant, zij het op afstand.
Achter de ramen van de eerste boerderij brandde nog licht. Boeren en katten… nou ja, toch even vragen, je weet maar nooit. Misschien dat ze weten of iemand een jong beestje mist.

Nee, we geven wel eerst wat melk aan de verwilderde katten, vooral in de winter maar verder, ik zou niet weten wie…. wij missen in elk geval geen katje.

Ik liep terug aan de binnenkant van de haag naar de plek waar Gert het beestje in de gaten zou houden. Ik liep nu aan de andere kant van de haag. Kom snel! riep hij zachtjes, het is in de haag gekropen. Met zijn telefoon scheen hij op het witte pluizenbolletje dat zich op anderhalve meter hoogte in de haag genesteld had en weer klagelijk aandacht trok. Hm, dat wordt lastig, schoot het mij door mijn hoofd. Ik moet in een keer goed grijpen, op het gevaar af dat ik in de doorns grijp.

Het lukte en ik was blij dat ik een stevige jas aan had waar ik het spartelende diertje in toom kon houden terwijl ik het in de nek vast hield. Want het was nog een flinke tippel door het hele dorp voor we thuis waren.

Eenmaal thuis maakte ik en nestje in de badkuip. In de badkamer zouden onze twee katten het diertje niet opmerken.
Voeren… tja. Dit kleine poesje was nog geen 6 weken oud. Kattenmelk hadden we niet in huis. Melk met water??? met een medicijnenspuitje, zou dat lukken?
Een naam… gevonden in de mais: we noemen haar Maisie.

Ik zei mijn Gert dat onze eigen katten voorlopig niet meteen blij zouden zijn met onze nieuwe huisgenoot. De verbazing was groot toen al op de derde dag onze jongste kat het idool was geworden van de kleine. Al het gedrag, elke beweging werd gespiegeld. Het zag eruit als een innige vriendschap. De kleine had een beschermvrouwe gevonden.
Maar onze Raya, de 13jarige nestor in huis vond het niks, dat mormel. Zat de kleine in de huiskamer dan keek Raya om de deurpost stak haar neus in de lucht en ging beledigd in de keuken zitten.

We bezochten de dierenarts, de nodige inentingen werden gezet, een sterilisatie afgesproken; er zijn genoeg wilde katten in de regio. Ze werd gechipped en kreeg een paspoort.

De tijd verstreek, en de acceptatie kwam tot stand. Het bleek een vreselijk lief, aanhankelijk en grappig genoeg ook muziekminnend diertje te zijn. Tijdens het vioolspelen sprong ze op mijn rechterschouder. We voorzagen een lange gezellige toekomst.

Helaas, er was nog geen jaar verstreken toen we zagen dat ze ineens heel mager werd. Ze wilde wel eten, liep met de anderen naar het etensbakje maar at slechts een paar hapjes en bleef lekker binnen op een stoel liggen.

Onze dierenarts, een soort James Herriot, maar vrouw, stond de volgende ochtend, en zaterdag, voor een raadsel, enorme bloedarmoede. Misschien een interne bloeding? Wie zou het zeggen. Een vochtinfuus werd aangelegd. Ze bleef ter observatie maar dezelfde avond belde de dierenarts om ons van de toestand op de hoogte te brengen. Het klonk niet best. Ze wilde haar wel voor ons nog in leven houden zodat we zondagochtend nog afscheid konden nemen. Ze lag nu rustig en zonder pijn…. Ons antwoord was : doe wat u als dierenarts het beste lijkt. We hoeven haar niet zinloos het leven te rekken, dan maar in laten slapen.

Het is maar een dier, maar toch, jaja je wordt er verdrietig van. Zo’n jong dartel lief aanhankelijk beestje, zo’n onschuld. Maar ach zo is het leven, zo is de dood.

Die zondagmorgen reed ik naar Moelingen om het levenloze lichaam op te halen. Met betraande ogen reed ik terug naar huis. Ik liet de dode en dag zichtbaar liggen zodat Raya en Kaatje konden zien waarom ze verdween en een dag later begroeven we haar in de tuin.

Een goed jaar later:

Zijn mauwen klonk klagelijk, hongerig ook. Een opvallend zacht mauwtje voor zo’n forse kat. Aanhalen bleek vruchteloos, de schuwheid, de angst won het van de honger.
Ik plaatste een bakje op het terras in de achtertuin, niet ver van de deur naar de bijkeuken en keek van ruime afstand naar wat er zou gebeuren.

Nooit eerder gezien: Normaal gesproken werd toch elke vreemde kat de tuin uitgejaagd. Onze katten bewaakten hun territorium waar ze meteen ook maar de tuinen van de buren bij rekenden. Maar nu…. ze maakte eerbiedig plaats alsof ze zeggen wilden… Kom maar, je hebt honger, ga gerust je gang.
Zij zagen wat wij ook zagen, en misschien hoorden ze het ook, of roken ze het zelfs: ” moet wel familie van Maisie zijn.

We doopten hem daarom Majus.

Het duurde lang voor hij ons durfde vertrouwen. We hoefden maar een vinger te bewegen of hij vloog al verder van ons weg. Maar na een maand schielijk een bakje leeg schrokken durfde hij op ruime afstand min of meer ontspannen in het gras te liggen, languit op een zij. En zo werd de afstand geleidelijk kleiner . Op zeker moment durfde hij de bijkeuken in te sluipen. Geluiden… deden hem schrikken. Ieder geluid veroorzaakte paniek. Van aaien was nog geen sprake. Maar de aanhouder wint. Na 8 maanden kon ik hem aaien en na 9 maanden kon ik hem optillen. Zijn vacht die aanvankelijk vol sporen van vechtpartijen zat was prachtig geworden, glanzend. We hadden wel de indruk dat hij een rouwdouwer was, alsof hij gewoon door roeien en ruiten liep, zich niets aantrok van prikkeldraad. Tja een echte buitenkat, een muizenvanger en een terreinbewaker. Op de nachtcamera in ons bos werd vastgelegd hoe hij patrouilleerde rondom onze grote tuin.

Een jaar later kwam hij net als de anderen trots laten zien dat hij weer een muis of een woelrat of rat had gevangen vooraleer deze op te peuzelen. Waren we in de tuin aan het werk, dan volgde hij ons immer.

We konden hem nu naar de dierenarts brengen en laten inenten en castreren. Waar ik een gevecht verwacht had bij het opsluiten in de kattenmand ontdekte ik andermaal de zachtaardigheid van deze kater. Nooit enige poging om te krabben, geen enkele agressie. Afgelopen winter durfde hij zelfs van de warmte van de houtkachel te genieten als het buiten koud was. Hij wilde zelfs wel een nachtje binnen blijven als er sneeuw lag. Als we naar huis terugliepen van de zangrepetitie kwam hij ons halverwege al tegemoet. In de weekenden ging hij vast vaak een dagje bij een ander huis op bezoek en sloeg hij ons een dagje over. Waar??? Geen idee.

Op zeker moment meldde hij zich met een enorme jaap, een scheur van oog naar mondhoek en moest onverwijld
– uiteraard op zondagavond- naar een dierenarts. Ook deze keer gaf hij geen krimp, en de dierenarts had geen enkele moeite hem te behandelen. Dat hadden mijn andere katten zeker nooit toegelaten.

Drie weken geleden zagen we hem opeens wel erg dun worden. Op zeker moment vertrouwde ik het echt niet meer. Wormenkuur… bleek ook wel nodig maar hielp niet om het gebrek aan eetlust op te heffen. Waar hij altijd in enkele tellen zijn bakje leeggeschrokt had at hij nu alsof hij geduldig was geworden. Zoals je het ziet bij een mens….hij had duidelijk pijn in zijn darmen en kromp in elkaar na het eten. Verlangde naar een warm en rustig plekje en lag op zijn buik.

Dierenarts, zware bloedarmoede,
bloedonderzoek: alle organen zijn in orde.
Drie dagen bijkomen van de narcose, het lijf was al zo verzwakt.
Extra krachtvoer, mineralen , vitaminen. Hij knapte weer op zo leek het. Ging weer naar buiten, was vrolijker. Maar een goede week later zagen we dat hij meer energie verloor aan eten dan hij er van kreeg. Zijn bloedarmoede was niet opgelost, hij raakte van alles buiten adem.

De dierenarts kon ook niets meer bedenken…. Misschien genetisch. Het deed ons zo aan die Maisie denken. Ze waren vast broer en zus.

Dag lieve Majus, rust zacht.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

gezond eten elitair??

Is gezond eten alleen maar weggelegd voor een rijke elite?

Er zijn de laatste jaren steeds meer bewegingen die tot de slotsom zijn gekomen dat de voedselvoorziening anders geregeld moet worden.
Dat gaat maar al te vaak gepaard met beschuldigingen jegens de boer. Veel boeren voelen zich, terecht, daardoor aangevallen en zwartgemaakt. Ze voelen zich zelfs bedreigd in hun bestaan.
Zo komen we natuurlijk geen stap verder.
Verder in wat?
Er zijn problemen

Niet alle wereldburgers hebben dagelijks genoeg te eten. Voldoende eten betekent niet perse hetzelfde als gezond eten.

Veel mensen zijn afhankelijk of zelfs verslaafd aan ongezond voedsel. Gezonde voeding wordt vaak vervangen door ongezond snoep of door snacks.

Naast honger bestaat er een tegengesteld probleem: Obesitas

Zonder boerenland, zonder natuur, geen voedsel

Er wordt sinds de tweede wereldoorlog veel te veel voedsel in monoculturen geteeld, monoculturen lokken plagen uit, plagen en ziektes worden bestreden met landbouwgiffen die eufemistisch ook gewasbeschermingsmiddelen worden genoemd.

Bovendien zijn we door wetenschap en technologie in staat om veel producten te telen die hier exotisch waren.

Columbus bracht ons in aanraking met aardappelen die het hier prima deden.
Maar in mijn jeugd was de teelt van tomaten, paprika, druiven, komkommer, courgette nog voorbehouden aan kwekerijen in zuidelijke warme landen.

Boeren bewerken wel enorme grondoppervakken maar zijn meestal niet werkelijk eigenaar van die gronden. Ze zitten tot hun nek in de schulden om:

de pacht te betalen,

het machinepark af te betalen

de hypotheken aan de banken t betalen

de dure bestrijdingsmiddelen te betalen

Bij een tegenvallende oogst kunnen ze geen kant op. Waar vroeger de tegenvaller werd doorberekend moet de boer de aangeboden prijs van de groothandel slikken en lijdzaam toezien hoe de markt wordt aangevuld met producten van collega’s uit andere landen

de broodwinning van onze eigen boeren krijgt weinig aandacht, van compassie is nauwelijks sprake. Het geldverdienen voor de aandeelhouders moet doorgaan.

De consumenten staan steeds verder van de productie af, en daarmee is ook het meeleven met de boer verdwenen. De kwaliteit is alleen nog van belang voor het oog, het gaat vooral om het uiterlijk, om het plaatje. Mooi voor de verspreiding op instagram, facebook, twitter etc. De plaatjes die mensen versturen van hun bezoek aan restaurants zijn niet van de lucht.

Het gaat de inkooporganisaties vooral om hoeveelheid, om bulk.
Ondertussen worden er onwaarschijnlijke hoeveelheden gezond voedsel afgekeurd en doorgedraaid. Goed voedsel dat gediscrimineerd wordt om het uiterlijk: net iets te klein, schilletje net iets te ruw, niet helemaal de perfecte kleur, te groot……
Ook voor die afgekeurde producten is hard gewerkt, maar onbetaald. Neem eens een lijkje bij een fruitkweker , je staat versteld van de hoeveelheid die niet voldoet aa de veilingeisen.

Het doel van de tussenhandel is niet zozeer de consument tevreden te houden. Het gaat om de tevredenheid van de aandeelhouders. Het gaat om geld. Om heel veel geld.

Je zou denken dat door de mechanisatie de boeren vandaag de dag een luizenleven hebben vergeleken met dat van hun voorouders.
Niets is minder waar.
Ja, het is makkelijker grote akkers in te zaaien en te beplanten en om een grote oogst binnen te halen. De vooruitgang van de mechanisatie wordt steevast ingehaald door de prijzen. Meer aanbod>? Lagere prijzen.
De boeren van vroeger werkten zelden op zondag en nooit in het donker. Nu werken ze maar door en door, bij nacht en ontij. Als het moet wordt er gewerkt met kunstlicht.

Ze liggen vaak genoeg wakker van problemen maar niet vanwege de luxe vraag waar ze een vakantie moeten boeken. Vroeger werkte het hele gezin mee op de boerderij. Tegenwoordig wordt er nog steeds veel aangepakt door alle leden van het gezin maar daarnaast hebben de boeren er als ouders meestal een “gewone” baan buitenshuis bij en niet zelden werken zelfs beide ouders buitenshuis om de boerderij draaiende te kunnen houden. Grootouders steken ook nog hun handen uit….gratis.

Boeren voelen zich uitgeknepen en helaas, dat gevoel klopt. Ze krijgen geen loon naar werken. En da moeten ze ook al dat gemopper nog incasseren!

Ondertussen wordt de boeren, ik heb het over Nederland, ook nog wijsgemaakt dat zij verantwoordelijk zijn voor de voedselvoorziening van de halve wereld.
Dat is klinkklare onzin!
Weliswaar kunnen de Nederlandse boeren heel efficiënt met de grond omgaan en is de opbrengst per hectare welhaast onovertroffen en de benodigde menskracht omgekeerd evenredig laag. Een groot deel van de oogsten wordt uitgevoerd, binnen de EU, binnen Europa en verder weg maar…
Niet heel veel minder aan agrarische producten wordt ingevoerd. En voorts gaat de voedingsbodem voor de giga-productie langzaam, of misschien wel binnen afzienbare tijd zodanig kapot dat de bodem in zicht komt waar het de productiviteit betreft.
We plegen roofbouw op een bescheiden stuk grond door de intensieve landbouw die de gronden met hun vele tonnen zware machines helemaal dicht rijdt en met een overdaad aan kunstmest samen met de gewasbeschermingsmiddelen al het bodemleven vernietigen.

Wat overblijft is niet veel meer dan houvast voor de wortels van de gewassen. Gewassen die groeien op bijna dode velden waarin en op geen plaats is voor onverkoopbare flora en fauna.

Kan echt anders?
Ja! Dat kan en het moet. Maar het gaat niet vanzelf. Er zijn ook krachten die er alles aan doen om veranderingen tegen te houden. Die krachten zijn te vinden bij de instituten die gerund worden door de geldschieters en die maar een doel hebben: status en zelfverrijking.

Wie hebben er belang bij verandering?

Het antwoord op deze vraag luidt eigenlijk: wie niet?

Als ik een parallel trek met snelheidsbeperkingen op de weg en het handhaven daarvan …. ook daar heeft iedereen er belang bij. Punt is dat niet iedereen dat beseft. Ieder mens vervult meer dan een rol in zijn leven: voetganger en automobilist, kind volwassene en oudere, gezonde burger en zieke burger.
Toch rijden veel mensen uit gemakzucht te hard.

Zo kun je de mens ook afzetten tegen het land, de natuur en het cultuurlandschap.

Ieder mens wil gezond eten, eten dat smaak heeft. Iedereen wil buiten van natuur kunnen genieten, schone lucht, bomen, schoon water, zee. Mensen willen buiten in een aangename omgeving kunnen fietsen, wandelen en zwemmen of varen, of de hond uitlaten, skiën paardrijden of zelfs een autoritje maken en genieten van het uitzicht, snorkelen tussen de wonderen in de zee.

Ouders willen dat hun kinderen zich kunnen vergapen aan de wonderen van de natuur: de vogels, de bloemen, de vlinders, de bijen en het wild op vier poten.
We willen ons veilig voelen en ons beschermd weten tegen de kracht van het water in de vorm van overstromingen en aardverschuivingen en lawines.
Toch laten we ons allemaal vaker of minder vaak verleiden door aanbiedingen om toch te kopen wat niet zo goed is voor onze wereld: vliegvakanties, magnetronmaaltijden, gadgets van de Action, goedkope kleding etc.
We sussen ons geweten met ….. ach die ene keer iedereen doet het ….. ik gebruik spaarlampen en scheid mijn afval netjes.
Voor de goede orde, degene die dit schrijft betrapt zichzelf dus ook.

Belangenafweging …. de consument? de producent? de economie? de leefwereld?

De wereldburgers van de moderne tijd heten vrij te zijn maar ze zijn minder vrij dan ze beseffen. Zelfs in de westerse wereld worden veel keuzes door anderen voor je gemaakt. De producten in de winkel liggen er veel meer dan vroeger niet zozeer omdat ze onontbeerlijk zijn voor de consument maar omdat de verkoop ervan van levensbelang is voor de producent.

De toeristenindustrie durft ons wijs te aken dat reizen, liefst door de lucht, een eerste levensbehoefte van de mens is.
En mensen geloven dat maar al te graag.

De vakantiegekte kent nog geen lange historie. Vakantie betekent eigenlijk dat je tijd vrij hebt maar niet perse dat je de hele wereld over moet sjouwen.
Hoe komt het eigenlijk dat veel mensen niet weten hoe ze in een vakantie kunnen genieten van wat ze vergaard hebben?: een heerlijk huis voorzien van vele gemakken, familie en vrienden om gezellig iets mee te ondernemen zonder tijdsdruk, natuur en cultuur in de naaste omgeving en een grotere straal, tijd om liefhebberijen mee te vullen. We hebben zoveel. Is het niet vreemd dat we ons laten aanpraten dat we altijd nog aan de andere kant van de wereld het nog veel groenere gras willen ontdekken?

Nee, ik ben niet tegen reizen maar wel tegen een overdaad aan reizen. Kunnen we nog ergens genoegen mee nemen? Juist nu we de hele wereld, ook de kosmos en de microwereld kunnen zien menen we dat we alles ook niet alleen op scherm maar met eigen ogen moeten zien:

De drijvende torenflats op cruiseschepen, de smeltende ijsbergen, de schuivende lawines waartussen een overdaad aan volk op lange latten, de verdorrende woestijnen, de springende walvissen, de vuurspuwende vulkanen. In veel gevallen is het toerisme niet bepaald een bijdrage aan verbetering van de natuurrampen die zich voltrekken.
Ik ken mensen die menen dat ze woestijnen moeten verkennen en andere prachtige dingen maar hun eigen omgeving nooit bekeken hebben. Dat plannen ze voor later als ze te oud zijn om te reizen, niet beseffend dat ze dan daarvoor ook te krakkemikkig zullen zijn.

Gehoord wordt: ja maar door het toerisme hebben de mensen daar meer geld om zich te ontwikkelen naar ons voorbeeld. De westerse wereld legt met het toerisme eigenlijk een ontwikkelings/ beschavingsmodel op aan de rest van de wereld. Het is een nieuwe vorm van kolonisatie. En nu komt de kolonisatie niet alleen vanuit west-Europa maar ook vanuit China. China dat er geen doekjes om wint: de Chinese economie moet de wereld beheersen.
In China zijn werknemers net zo belangrijk voor de ondernemingen als vroeger in de 19de eeuw in de industrieën van Engeland.


Het gekke is dat de meeste mensen zich net realiseren dat de toeristenoorden die zij bezoeken veelal gerund worden door mensen die zichzelf zelden of nooit een reis kunnen permitteren in het leven.
De wereld zal er ook zeker niet gezonder en mooier op worden als alle mensen die tot nu toe nog niet het luchtruim kozen ook gaan reizen zoals wij nu gewoon vinden.
Giethoorn en Venetië en Amsterdam zuchten al onder de overlast van toerisme maar dan…..

vraag sturen of door vraag gestuurd?

De producent richt zich niet zozeer op de vraag maar creëert de vraag. We leven in een vraagsturende economie. De kunst van de producenten is te zorgen dat iedereen begeert wat de buurman al heeft.
We eten meer dan ons lichaam nodig heeft en we kopen meer rotzooi dan in onze huizen en kasten kan worden opgeslagen en de oplossing is de schepping van de vuilnisbelt.

Nooit eerder in de geschiedenis heeft de mens zo ongelofelijk veel afval geproduceerd. We weten gewoon niet meer waar we het moeten laten en steeds vaker duiken er verhalen op over giftige stoffen die in ons leven binnendringen vanuit het afval.

Zelfs aan het produceren en verhandelen en verwerken ( zeg wegmoffelen verbergen van afval wordt fors verdiend.

We kunnen gaan zoeken naar de oplossing van een schuldvraag maar beter is het om te zoeken naar de oplossing van die problemen.

De sturende motor op de verkeerde weg wordt aangedreven door geld en dat geld moet dus gebruikt gaan worden voor een motor die een andere weg neemt.

Geld is eigenlijk een afgeleide van simpel een ruilmiddel. De rol van geld in de moderne groei-economie is vergelijkbaar met die van een gewas….. de groei-economie verwacht eigenlijk een geldboom met vruchten in de vorm van goed, dollars of cryptomunten.
Cryptomunten die meer energie kosten dan de burgers met alle besparende maatregelen aan energie besparen!

We moeten weer een stapje terug doen met het besef dat financiële aderlating geen aderlating hoeft te zijn voor een aangenaam leven. Een rijk leven is een leven dat rijk is aan mooie ervaringen. Rijk sterven is geld mee het graf innemen.

Nee dat zeg ik verkeerd: zouden mensen hun vermogen mee het graf innemen dan zou er meer gelijkheid zijn. Sommige mensen worden schathemeltjerijk geboren en zijn als de dood dat ze geld kwijt maken, of nog erger denken dat ze er alles aan moeten doen om meer geld te vergaren, koste wat het kost.

Bezinning

Bezinning hebben we nodig

nationale en internationale bezinning. Maar hoe doe je dat?
We hebben een herwaardering nodig van bepaalde waarden het leven.
We moeten weer gaan beseffen wat ons nu werkelijk gelukkig maakt.

Het staat iedereen vrij daarover te denken. Persoonlijk geloof ik niet dat het zinvol is een soort takenlijstje af te werken in je leven. Is het realistisch om zoveel te willen? Is het niet heel kinderlijk?
Toch denk ik dat er zaken zijn die iedereen belangrijk vindt:

liefde, bescherming van een sociale groep, familie en vrienden
voedsel, gezond en lekker en voldoende

een woning

water en licht

gezondheidszorg

werk en waardering voor de inspanning

onderwijs

vrije tijd zodat je niet alleen inspanningen hoeft te doen om je slechts van bovenstaande zaken te verzekeren.

Ruimte om je in te bewegen, te ontspannen

Geef de eenvoud een kans:
Gebruik minder energie via het stopcontact, gebruik je spierkracht, maak tijd om zelf je boodschappen van de winkel naar je thuis te brengen, geniet van plantjes en bloemetjes door ze zelf water te geven, kijk waar je dichtbij lokale producten kunt kopen, maak tijd voor het eten het heet niet voor niets maalTIJD

vermijd de plastic verpakkingen en

maak tijd om zelf je groenten schoon te maken, te snijden en te verwerken

gooi etensresten niet meteen weg maar wees vindingrijk en verwerk ze morgen in een nieuw gerecht

Weet wat je eet : weg met alle e-nummers. Durf zelf te koken in plaats van al die pakjes met gebruiksaanwijzingen op te volgen. Een beroemde kok sprak: als een gerecht meer dan 7 kruiden nodig heeft, deugt het niet. Ken je de smaken van alle afzonderlijke ingrediënten?

Zet een moestuintje op, het kan zelfs op de vensterbank …. het schenkt voldoening en begrip.

Genieten van eenvoud is ook een luxe. Neem de tijd. We hebben meer tijd van leven dan onze voorouders dus waarom al die haast?
Haast, ja haast moeten we maken met de bescherming van onze leefwereld. Start vandaag.
Wees niet dogmatisch maar zet stappen in de goede richting. Elke stap brengt ons vooruit.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zwevende kiezer?????


Welke partij wens je geen enkele zetel toe, zou naar jouw idee moeten verliezen?????
Dan is jouw stem op willekeurig welke andere partij een verzwakking van de partij die je liever niet ziet!!
Stemmen heeft dus altijd zin!!!!!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Geluidsterreur , het wordt te gek!!!! Helaas door het hele land.

Aan de bestuurders van de gemeente Eijsden- Margraten,

in het bijzonder aan wethouder …

en ook aan de handhavers cq politie en BOA’s in de gemeente

Ik wil u vragen om te handhaven en om handhaving minder nodig te maken door goede voorlichting.

Geluidsoverlast in de wet: regels en normen

Geluidsoverlast kan gezondheid en woongenot schaden. Daarom zijn er regels en geluidsnormen. Bijvoorbeeld voor verkeer, luchthavens, evenementen en het spoor. Overheden en bedrijven als Schiphol brengen de geluidsbelasting regelmatig in kaart.

Bovenstaande betreft niet zo zeer de overlast op kleinere schaal, namelijk van privéfeestjes die al of niet zonder vergunning in de woonwijken worden gevierd. Om burenruzies te voorkomen en de gang naar de rijdende rechter eveneens adviseert de overheid op het internet:

Afspraken maken over geluidsoverlast door buren

Buren moeten normale leefgeluiden van elkaar accepteren. Bijvoorbeeld:

  • spelende kinderen;
  • hoesten;
  • overdag stofzuigen;
  • dichtslaan van deuren.
  • Probeer eerst samen afspraken te maken. Bijvoorbeeld over tot hoe laat uw buren klussen of muziek draaien. Over dieren, zoals blaffende honden. Of over geluiden in de tuin.


** Wilt u een feest organiseren in uw bedrijf en u wilt daar meer geluid produceren dan op grond van het activiteitenbesluit is toegestaan? Dan moet u een kennisgeving doen. U kunt maximaal 12 keer per jaar een kennisgeving doen.

In het vrolijke Limburg wordt graag een feestje gevierd. Daar is natuurlijk niets mis mee, tenminste, zolang de een zijn vreugd niet het leven van de ander moeilijk maakt.

Dat is in de gemeente helaas in toenemende mate het geval. Ik doel hier met name op de geluidsoverlast, beter gezegd lawaaioverlast waarmee de evenementen en vooral ook de feestjes in de privésfeer gepaard gaan.

Ik zal verder enige voorbeelden geven maar allereerst wil ik wijzen op het bestaan van fatsoensregels en de wet en regelgeving.

Je leert als kind dat je niet midden op straat langdurig staat te schreeuwen, je zet je radio niet zo hard dat de buren die kunnen verstaan, binnen spreek je zachter dan buiten. In de wachtkamer spreek je eventueel zachtjes met elkaar, in de bibliotheek fluister je, in de kerk en bioscoop en tijdens een theatervoorstelling houd je je vooral je mond.

Voor de mensen die niet uit zich zelf rekening kunnen houden met hun omgeving liggen zijn er wetten met regels die regels zijn gemaakt om geen onnodige inbreuk te maken op het comfort van mensen in hun eigen huis en tuin.

Het gaat simpelweg om het respecteren van de ander.

Samenleven is geven en nemen maar: Wat is acceptabel, hoe ver mag je van een ander verwachten dat hij je tegemoet komt?

Er zijn richtlijnen voor wat acceptabel is. Doorgaans mag je ook in het weekend na 22.00 uur niet zoveel geluid meer maken dat de buren hier hinder van ondervinden. Dus je mag ’s nachts muziek draaien, maar dan op een geluidsniveau dat de buren nog kunnen slapen.26 jan. 2020

Hoe laat moet het stil zijn bij de buren? Dit zijn de normen:

’s avonds (19.00 – 23.00) 30 dB(A) overlast langer dan bijvoorbeeld 1 min en 50 dB(A) voor kortstondige piekgeluiden. ’s nachts (23.00 – 07.00) 25 dB(A) overlast langer dan bijvoorbeeld 1 min en 45 dB(A) voor kortstondige piekgeluiden.
Hoeveel herrie mag je maken in een woonwijk?

Hoe hard de muziek mag, is geregeld in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (tenzij voor uw onderneming speciale maatwerkvoorschriften gelden). Zo maghet geluidsniveau overdag tot 50 decibel – db(A), ’s avonds 45 decibel, en in ’s nachts 40 decibel zijn.

Als inwoners zich aan de boven geschetste normen houden is er pais en vree.

De meeste overlast komt van feesten gericht op jonge mensen. Er is iets vreemd aan de hand met de bedieningspanelen van de hedendaagse geluidsinstallaties: gedurende evenementen kan de muziek wel luider gedraaid worden maar terug naar zachter is lijkt het onmogelijk.

Zwak dat nu niet meteen af door te zeggen … vroeger toen wij jong waren…… Muziek was vroeger wezenlijk zachter en met name de bassen dreunden niet zoals tegenwoordig geliefd.

Als mensen hun eigen oren en gezondheid daarmee willen tarten weet ik dat ik dat niet kan tegenhouden. Doe het in een speciale geluiddichte ruimte en ik klaag nergens over.

Zelfs al ben ik bang dat het zorgpersoneel over 30 jaar merendeels doof zal zijn.

Het is hun keuze.
Ander argument: jeugd zoekt nu eenmaal de grenzen op.

Ja dat klopt en daarom moet je grenzen dus niet steeds opschuiven want dan komen ze nooit bij die grens. Vandaar en dus regels, wetten en handhaving. Handhaving is geen synoniem voor politiestaat maar staat voor het waarborgen van veiligheid en respect.

En de handhaving schiet te kort. De handhavers zijn slecht bereikbaar, zijn er niet vaak genoeg en zien ook nog te veel door de vingers.

In de karnavalstijd gaan er stoeten door het dorp, een vrolijke traditie, en ja … die hoor je van verre. Natuurlijk niet erg. Een andere zaak is het wanneer er een lichtjesstoet door het dorp een uur staat warm te worden voor de huizen geluidsapparatuur zo hard dat de ruiten in de sponningen trillen, kopjes op de schoteltjes dansen en dat alle huisdieren drie dagen van slag zijn en je als toeschouwer in de straat bij een geluidsniveau van 120 db elkaar onmogelijk nog kunt verstaan.
Veel burgers klagen tegen elkaar maar horen dat er echt gecontroleerd is en gewaarschuwd door de handhaving, of ze zeggen ” dat hou je toch niet tegen, niets aan te doen”.

Karnaval, weidefeest, Atzeparty, dat zijn in elk geval wel nog feesten die vergund worden.
Ik beperk mij even tot Eckelrade omdat ik daar woon
maar toch …. Waarom moet ik in Ecklerade het gedreun van een huisfeestje in Banholt kunnen voelen en horen? Er is toch een verschil tussen hard, TE hard en VEEL TE hard?

En nu kom ik op de privéfeestjes daar is een trend zichtbaar:

Deze zomer vond ik een strookje in de brievenbus

x en y en z hebben een maand geleden ons examen gehaald en wij willen dat aanstaande zaterdag vieren. Het zal duren tot 3 uur in de nacht.
Wij hopen op uw begrip.

Het adres was 100 meter verderop. Omdat we al meer van die luidruchtige feestjes hebben meegekregen ben ik die ochtend naar de jongens toegegaan om hen te feliciteren en een mooi feest te wensen. Er werd een professionele geluidsinstallatie geplaa t, er kwameen echte DJ.in de tent.

Dat ik de luide muziek zal horen, daar kan ik nog me leven maar willen jullie wel de bassen na 11 uur zo draaien dat de vloeren bij ons niet trillen en wij gewoon kunnen slapen? Dan zijn we allebei tevreden.
U raadt het al: het verzoek bleek aan dovemansoren gericht:

Mijn hartslag ging zodanig omhoog – niet van ergernis maar omdat die boenkeboenkebassen dat nu eenmaal veroorzaken. Ik werd er naar van.

Slapen bleek volkomen onmogelijk ook al hadden we met het warme weer de ramen gesloten.

Om half 12 belde ik naar de gemeente
De BAAs zijn allemaal buiten dienst bel de politie

Politie: fijn en goed dat u zelf al contact heeft gezocht met de jongens. U heeft gelijk dat mag zo niet we sturen iemand langs!
Half 2… er is niets gebeurd. Wederom politie gebeld: Ja sorry, uhh in Gulpen is ook wat met een feestje we zijn onderbezet, het gaat niet lukken.

kunt u dan morgen toch even een praatje houden met de feestvarkens?
Nee, dat kan niet want dan hebben we de overtredingen niet zelf geconstateerd.
Maar er zijn toch getuigen genoeg?

Dit schept een precedent.

De volgende dag heb ik nogmaals gebeld en om een gesprek met de wijkagent verzocht.
Die belde, begreep de situatie maar zei machteloos te staan omdat tegenwoordig ook de ouders achter de jongeren staan. Het fatsoen lijkt te verdwijnen. De enige oplossing is, zo zei hij, dat mensen veel vaker hun klachten bij de gemeente brengen. Alleen dan zal de handhaving prioriteit gaan krijgen.

Als dat zo is moeten burgers ook wel het idee hebben dat zij veilig kunnen klagen en dat het zin heeft om te klagen. Dat is nu niet het geval. Dorpsgenoten vinden het erg lastig om slecht gedrag van anderen openlijk af te keuren.

Niettemin vertelde de postbode mij een week later dat zij van zeker 10 mensen in de straat gehoord hadden dat zij de politie hadden gebeld die bewuste avond.
Van een ander adres ging een aardig gesteld briefje naar het dorpsblaadje maar de redactie durfde het niet te plaatsen want wilde onpartijdig blijven.

En ja, afgelopen week overkwam ons weer zoiets
in een pand met een leegstaande loods werd weer een verjaardag gevierd. We vonden weer een strookje in de bus. ” want bij een feestje hoort natuurlijk muziek…”
met telefoonnummer dit keer.
Ik belde en vroeg hoe hard ze dachten dat de muziek zou staan als ze veronderstelden dat zelfs wij er last van konden hebben?

Dichterbij de locatie ligt juist een oude buurman op sterven.
“o maar die vind het niet erg hoor dat wij een feestje vieren, we hebben het gevraagd”

Ik heb navraag gedaan, mensen op de Linderweg worden regelmatig gek van de vele feesten in loodsen etc. Als mensen het op tijd weten wijken ze soms it naar een hotel.
Mensen die een b en b hebben zitten met een probleem tegenover hun gasten.

Er wonen nog meer jongvolwassenen bij hun ouders, ik zie de jeugd graag, gun hen alle goeds, maar het begrip dient wel van twee kanten te komen.
Het is absurd dat mensen op kosten gejaagd worden en hun huis iit moeten vluchten omdat iemand feest viert.
Daarbij gat het om vrijstaande huizen, dus de volumeknop moet gewoon naar omlaag gedraaid worden.

Wat gaat de gemeente doen. ?
Het probleem is landelijk maar dat is geen reden om het te negeren!

De Nederlandse leeuw zegt IK ZAL HANDHAVEN!

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Ik zal handhaven? of Ik zal gedogen??

Nu jong, straks ook oud.

Nederlands (wan)gedrag aangeboren of aangeleerd?
Hoezo “we kunnen niet handhaven”?


Waarom maken we eigenlijk geen verpleeghuizen voor jonge mensen maar wel voor oude?

Wie de jeugd heeft heeft de toekomst. Maar de jeugd heeft zelf nog even de tijd.

Nu is het weer de NPO die de programma’ s wil aanpassen zodanig dat er meer jongeren naar kijken. Vergeten wordt dat de behoeften van jongeren nu eenmaal anders zijn en dat je dus geen programma’s moet willen maken waar ouderen en jongeren gelijkelijk naar kijken.
Het ene na het andere programma moet van de buis of van de radio, succesvol of kwalitatief…..maakt niet uit.
Inderdaad: in het Concertgebouw zitten vooral mensen boven de 40. Dat was 30 jaar geleden ook het geval. De jongeren van toen, die toen niet gingen zijn de ouderen van nu…. en dat blijft zo. De smaken en wensen en behoeften veranderen nu eenmaal bij iedereen gedurende het leven.

Zo is het ook niet gek, dat er verhoudingsgewijs weinig ouderen naar popfestivals gaan. Toch zijn er nu juist meer ouderen dan jongeren ….zouden we de popfestivals daar niet op aan moeten passen?????
Nee, natuurlijk niet!!!

Steeds vaker gaan er stemmen op om de kiesleeftijd te verlagen, er wordt al rekening gehouden met de politieke mening van kinderen onder de 12 door verkiezinkje te spelen op de basisschool. Waar zijn we mee bezig?
Veel volwassenen begrijpen al niet zo veel van politiek, slechts weinigen kiezen rationeel. Waarom de kinderen vertellen dat zij het met hun gebrekkige kennis van de materie en van het leven, het beter weten?
Maken die kinderen een zelfstandige afweging, of kiezen ze wat hun vriendjes doen, de juf, de meester of hun ouders?

In de meeste kinderen huist geen Gretta Thunberg en ook haar had ik meer onbezorgde jaren gegund.
Ik ben blij dat ik me 50 jaar geleden nog geen zorgen hoefde te maken over de wereld van 2021. Wij hebben toen niet kunnen zeggen ….” ja maar politici, jullie hebben het wel over onze toekomst, over ons leven” Ik denk ook niet dat de wereld er daardoor beter uitgezien zou hebben.
De regering bestuurt voor het welzijn van iedereen. Voor mensen die er over 100 jaar nog zijn maar ook voor mensen die nu oud zijn of die nooit oud worden.

Het leven is zodanig verlengd dat we, hoewel we gemiddeld veel langer leven, steeds korter kind mogen zijn. Dat we kinderen en jongvolwassenen wijsmaken dat ouderen niet aan hun belangen willen denken. Dat we niet durven zeggen: jouw tijd komt nog wel, wij zijn ook jong geweest.
Kinderen zijn snel genoeg oud. Vroeger met 21 volwassen verklaard en nu ( terwijl wetenschappers ontdekten dat het brein pas met 23 klaar is ) al op 18jarige leeftijd rijp geacht. In wezen een beetje sneu.

Het is eigenaardig dat we in onze maatschappij ontzettend bang zijn de jeugd, jongeren, kinderen ook te behandelen als kinderen. Daarmee pakken we hen iets af wat we ook nooit meer terug kunnen geven…..hun jeugd.

Ik leerde op school dat de rijke mensen hun kinderen in de 18de eeuw kleedden als kleine volwassenen en dat ze daar ook naar behandeld werden. Dat vonden we zielig. Hoe kan je lekker spelen in zulke deftige kleren? Geef mij maar Floddertje.
Als aanstaande juf leerde ik veel over de kijk op kinderen in de 19de eeuw; hoe onze beschaafde wereld de kinderen een eigen plek toekende. Kinderen mochten kind zijn, en ook de leesboeken moesten zijn aangepast op het kinderbrein.

Een aangename jeugd zou moeten zijn: jaren van zorgeloosheid, de jaren waarin je nog eindeloos kunt dromen over “ later als ik groot ben” de jaren waarin je je nog geen zorgen hoeft te maken over de oorlogen en de grote politieke vraagstukken in de wereld. De zorgen over de ruzies met je vriendjes zijn als erg genoeg.

Het moeten jaren zijn waarin je je veilig voelt bij pappa en mamma, veilig op school, veilig in de wereld.

Het zijn de jaren waarin je nog niet de verantwoordelijkheid hoeft te voelen voor het leed van de hele mensheid. De jaren waarin de sprookjes, feitelijk gruwelverhalen altijd nog een goede afloop hebben.
Het zijn de jaren waarin je je in je spel nog kunt vereenzelvigen met de onverslaanbare maar goede machten.

De jeugd is de tijd van spelend ervaren en kennis vergaren, de tijd van vallen en opstaan, de tijd waarin je vanzelf tot de slotsom komt, steeds opnieuw “ dat kan ik ook al zelf”

In het eerste deel van je leven hoef je nog niet te weten en te snappen dat volwassen zijn niet alleen maar leuk is, dat de wereld van grote mensen vol problemen, vol onrecht en vol gevaren is.

Alle kinderen willen groot worden en zich belangrijk voelen. Daarvoor vinden ze overal ter wereld het rollenspel uit en helpen ze de grote broer en zus of pappa en mamma.

In de moderne wereld en, zeker in de wereld vol met influencers van alle leeftijden zien allerlei producenten een markt in de jonge kinderen, een verdienmodel.

We spreken schande van kinderarbeid in de 19de eeuw, schande van kinderarbeid in India maar we vinden het normaal dat kinderen zichzelf op allerlei manieren verkopen in de sociale media. Waarom? Omdat ze netjes gevoed worden en omdat ze gezond en goed gekleed zijn? Omdat ze er een vette bankrekening aan over houden?
Ik heb het over kindsterretjes die hun eigen t-shirt bedrijfje oprichten als 8-jarige

hun eigen muziekstudio runnen

make-uplessen geven en spulletjes verkopen

sportsterretjes van basisschoolleeftijd, die al “ verkocht” worden

muzikantjes met wondertalenten die de wereld (hoewel de overheid daar nog toezicht houdt op optredens)

……en vul het maar aan.

Het gaat daar steeds om kinderen die geld verdienen maar op de achtergrond geld aan zich laten verdienen. Kinderen die zodanig worden opgeslokt door een leven alsof ze volwassen zijn dat ze hun andere kinderlijke eigenschappen niet tot leven kunnen laten komen.

Ja ik geef toe, ik hoor zelf niet meer bij de jongsten maar feitelijk deden de kinderen in mijn jeugdjaren hetzelfde, we kweekten groenten om langs de deur te verkopen, we zongen liedjes aan op de stoep om geld op te halen voor arme kinderen, we speelden bibliotheekje, we richtten een kinderkrant op, we hadden een orkestje van buurkinderen , we aapten alles na van onze sporthelden en we imiteerden beroemde zangers. We verkleedden ons als grote mensen.

Het verschil? Het grote geld.

Zelfs op school is het verschil duidelijk. Er wordt eindeloos getest en gepland. En er zitten vreselijk veel geldslurpende bedrijven achter die tests.
Hoewel we veel meer weten over het kinderbrein en het puberbrein dan 50 jaar geleden zijn de leerresultaten (die tegenwoordig opbrengsten worden genoemd) ondanks al die testen, plannen en moderne leermiddelen feitelijk achteruitgegaan. Kinderen moeten op 8 jarige leeftijd al “studievaardigheden” ontwikkelen, “ zelfstandig werken” en een portfolio aanleggen.

Het onderwijs kost steeds meer maar levert minder op. Kinderen weten minder en hun basisaardigheden , rekenen en taal beheersen zij jaar op jaar minder.

Wat doen we verkeerd? Is er een algemene oorzaak? Wat is er veranderd?

Was het vroeger gewoon om kinderwensen en vragen af te doen met later als je groot bent…….
Met stelligheid kun je beweren, het zijn niet de kinderen die veranderd zijn.
De ontwikkeling van het kind loopt nog langs dezelfde lijnen als 200 jaar gelden en langer terug. Veel pedagogische en didactische inzichten van oude meesters zijn nog verbluffend toepasbaar.

De indeling van de jeugdjaren in baby, peuter, kleuter, leerleeftijd 6- 12 en 12 – 18
is al bij de Romeinen genaakt, vind je terug bij de opleiding van knaap tot ridder en vind je terug in tal van culturen.
De moderne mens heeft een andere materiële wereld om zich heen maar is in wezen niet sterk veranderd, (geevolueerd) in al die eeuwen. We voelen ons veel slimmer maar dat zijn we alleen maar door de omgeving waarin we groot worden.

Taak van ouders is het om hun kinderen veiligheid te bieden tijdens het opgroeien.
Wat is eigenlijk veiligheid?
Fysieke veiligheid betekent bescherming en ziekte en honger tegen ongelukken.
Veiligheid heeft alles te maken met het kennen van grenzen, het bieden van grenzen ofwel van houvast.
Ouders grijpen in bij verkeerd eten, bij te weinig en/ of te veel eten

ze zetten een slot op de deur en een hek in de tuin om de kinderen te beletten alleen de gevaarlijke wereld in te gaan
Als kinderen ouder worden worden de grenzen in taal gegeven met een beroep op de verstandelijke vermogens van de steeds wijzere kinderen.

Tot kinderen geheel zelfstandig zijn hebben de ouders de verantwoordelijkheid. Dat is zelfs terug te zien in de structuur van de W.A. verzekering en in het strafrecht.

Ouders worden aangesproken op misdragingen van de kinderen en schade door hen veroorzaakt.

De grondleggers van het vrije Nederland hebben de woorden Ik zal handhaven tot lijfspreuk verheven naast hun symbool van de onvermoeibaar strijdende leeuw die worstelt maar het hoofd boven water houdt.

  1. Handhaven ….waarom is dat een negatief begrip geworden in ons land?

Wanneer is dat begonnen?
Na de oorlog en voor de oorlog hadden de Nederlanders hun vrijheid net zo lief als nu. Maar toen begrepen ze om de een of andere reden beter dat de vrijheid van de hele gemeenschap gebaat is bij regels, bij grenzen, bij de eis tot naleving.

Een dief is niet blij dat hij gesnapt wordt, de slachtoffers en mogelijke slachtoffers wel. De eerste is bang voor de “handhaver van de wet” de ander zegt: de politie is je beste vriend.
De kiem voor eerbied voor de regels wordt natuurlijk in de jonge jaren gelegd, in de opvoeding.

Sluipenderwijs hebben is daar iets fundamenteel veranderd. Voor ik daar verder op inga wil ik eerst zeggen: het is veranderd maar een omwenteling hoeft niet beperkt te blijven tot de wereld op z’n kop te zetten. Draai verder en de zaak staat weer rechtop.

Vroeger toen kinderen nog kinderen waren leerden zij dat ze op hun beurt moesten wachten
als grote mensen praten ga je daar niet zomaar doorheen blèren
wachten op je beurt

je krijgt niet in alles je zin

pappa en mamma bepalen hoe laat je naar bed gaat
pappa en mamma bepalen wanneer je naar buiten mag of tv kijken etc.

je bord leeg eten ( met door de vingers zien)
niet alleen maar zelf bepalen wat je eet en snoept
centjes sparen voor iets wat je hebben wil
zuinig zijn op je speelgoed, we hadden ook veel minder

we moesten zelf naar school LOPEN of fietsen (maar dat kon ook veilig)
op school moest je je rustig gedragen

stil kunnen zijn in de klas

stil kunnen zitten op je stoel

in een rij kunnen lopen naar bijvoorbeeld de gymzaal

accepteren dat werk dat niet goed was, verbeterd of overgemaakt moest worden

je boeken en schriften netjes houden

luisteren

respectvol omgaan met kinderen die minder kunnen dan jij

de sociale regels leren en respecteren bij het spelen op het plein

je rommel opruimen, in je kastje, in de gang in de klas en op het plein
je mag niet liegen
je mag niet stelen



  1. De basisschool was en is de wereld voor de kinderen de wereld voor de kleine mens; een leefwereld met grenzen en bewakers.

In die jaren wordt de kleine mens respect bijgebracht. Respect krijgt een groot mens voor iets goeds: boeven vangen als politie maar ook bekeuringen uitdelen aan mensen die te hard rijden. een land verdedigen als soldaat, mensen beter maken als dokter of verpleegkundige, branden blussen als brandweer, de straat schoonhouden als chauffeur, huizen bouwen als bouwvakker, dieren helpen als dierenarts of zorgen voor de natuur als boswachter of zorgen voor het eten als boer of als kok.

Ik geloof niet dat respect in een woordje zit. Je ouders met U aanspreken of met je….daar zit het m niet in. Trouwens het woord respect wordt door veel mensen (ook jongeren) tegenwoordig te pas en te onpas gebruikt. Als mensen hun zin niet krijgen …..respect ja!
Of als een minister zijn ontslag aanbiedt ….ik respecteer zijn beslissing….
Er valt niets te respecteren, een beslissing moet je ACCEPteren!

Respect is verbonden aan gezag aan bewondering ook. In een democratie is er bewondering voor wijsheid als het goed is en in een dictatuur gaat respect gepaard met angst voor het gezag, dat is niet wat Nederlanders kennen of willen.

In een aangename maatschappij houden de meeste mensen zich vanzelfsprekend aan de regels. We hebben die immers samen afgesproken en bovendien is de noodzaak van die regels ook uitgelegd. Ze dienen het algemeen belang.

Je moet je belasting betalen om te zorgen dat de overheid de voorzieningen voor alle inwoners kan realiseren en onderhouden.
Je moet je aan de verkeersregels houden om te voorkomen dat er doden en gewonden vallen en om te zorgen dat iedereen zich veilig kan bewegen op straat.
Je moet je aan de regels houden in het bos om te zorgen dat de planten en de dieren ook kunnen groeien.
Je mag geen dingen van andere mensen stelen of kapot maken

En als je dat niet doet …. dan komt de politie en dan moet je naar de gevangenis en dan moet je heel veel geld betalen, zullen kinderen zeggen.

Daar vertonen kinderen meer wijsheid en consequent gedrag dan de overheid. Want wat zegt de overheid steeds vaker

die regel kunnen we nog niet in de wet zetten want dat kunnen we niet handhaven!!!

Dat is de omgekeerde wereld.
Het vervaardigen van weer nieuwe synthetische drugs die mensenlevens verwoesten en kosten kan vandaag aan de dag dus ongestraft en legitiem omdat er geen geld is voor Handhaving!

Niet alle inbrekers of dieven worden gepakt toch staat in de wet dat het verboden is om te stelen. Het begint met de regel, met de opvoeding, met respect voor de wet en daarmee respect voor de ander!!!!

Nu leert de overheid de misdadigers (in spe) “ ja maar het mag, want er staat niet in de wet dat het niet mag. (en dat komt omdat de overheid geen geld voor over heeft voor agenten en controleurs)

Enerzijds hebben we te maken met totaal ontspoorde handhaving in de bureaucratische overheid en aan de andere kant een bijna afwezige handhaving van de fysieke controle.
Dat heeft een funeste invloed op ons gedrag. Enerzijds omdat er met twee maten gemeten wordt anderszins omdat mensen nu eenmaal meedoen met de groep.
Kinderen starten met roken en drinken omdat “ze het allemaal doen” , mensen negeren de verkeersregels omdat ze zich in goed gezelschap wanen. (de burgemeester rijdt zelf ook met een mobieltje in de hand)
ze tillen de verzekering (want iedereen geeft niet vermiste spullen als gestolen op)
ze kijken of er een manier is om onder het betalen van belasting uit te komen (Shell en Unilever betalen ook niks)

waarom moet ik een vergunning aanvragen voor het kappen van mijn boom? De gemeente hakt er zelf vrolijk op los.


  1. Mensen zijn kuddedieren.

Kuddedieren gaan zowel mee in de goede als in de slechte richting. Onze overheid heeft de rol van leiderschap, ven herder.
Het is aan de overheid om het Nederlandse volk ertoe te bewegen met de goede leider het goede schaap over de dam, te volgen.

Liberaal, liberalisme…. Heeft het de economie verlaten en heeft het onze hele maatschappelijk gedrag besmet? Pak wat je pakken kan, bepaal je eigen regels, denk vooral aan jezelf en eventueel nog aan een ander als je daarmee als weldoener in aanzien stijgt.

Nederlanders houden er nu eenmaal niet van dat ze iets móeten
Nederlandse kinderen kunnen nu eenmaal niet langer dan 5 minuten stil zitten in de klas
Nederlandse kinderen zijn nu eenmaal vrijer in hun gedrag
Nederlanders zijn nu eenmaal gesteld op hun vrijheid.

Bovenstaande excuses zijn totale onzin!!! Het is aangeleerd gedrag, het zit niet in de genen. Werkelijke tolerantie en vrijheid mogen nooit leiden tot asociaal zelfzuchtig gedrag. Jouw vrijheid gaat tot aan de grens van de vrijheid van de ander.
En als je dat niet wil snappen dan moet de overheid je dat via sancties aan het verstand brengen.

Overheid handhaaf!!
Ouders en onderwijzers : voed op!



Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Mijn jeugd in Breukelen

een meisje uit de stad wordt noot een dorpelinge

vanaf 1964

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

sneeuw , we hebben geen controle over het

Sneeuw in het zuidoosten van het land.
Het KNMI voorspelt het vaak. Maar aar dan blijkt Nijmegen het uiterste zuidoosten te zijn
Vandaag lag dan toch echt Zuid-Limburg in het zuidoosten
het is bijna 10 uur als ik door het raam zie dat het sneeuwt. Jawel, het blijft liggen ze;fs. en het gaat maar door. Alles wordt wit, en glad natuurlijk. binnen de kortste keren hebben de vogeltjes bedacht dat er op veel plekjes in de tuin extra voedsel is klaargelegd. opeens zien we alle soorten die in de tuin verstopt zitten. Bovenop de ton met voederhuisje lijkt het wel of er nummertjes getrokken zijn en ze allemaal keurig op hun beurt wachten om ruzie te vermijden. Wat een vrolijk gezicht. achter de glazen serredeuren vergapen de katten vergapen zich aan het gefladder; zo dichtbij en toch ongrijpbaar. Al die vogeltjes eindeloos in de weer om zaadjes te bemachtigen.




Het wordt top straat zeldzaam rustig.
Het is windstil en de sneeuw hoopt zich op op de takken, op de dorre grassoorten, op de paaltjes op de daken..…en laagje, een centimeter 10 centimeter een laag. De straat is wit en ik zie geen strooiwagen ontdekken.
Wat ik mis is de sleetjes en kinderen die voorbij komen…. waar zijn de sneeuwpoppen?
gek is dat, mensen gaan graag op wintersport maar nu ze thuis worden overvallen door het outdoor witte dekbed zie ik maar heel weinig mensen langskomen om van de witte wereld te genieten.
Zelfs het midden van de weg wordt wit omdat er eigenlijk geen auto meer passeert.
Als ik naar de buren loop voel ik wat een glibberig laagje de witte pracht is.

om tien voor 5 trek ik de deur achter me dicht om ons winterdorpje te bewonderen. Antiglijijzertjes onder mijn schoenen. Fototoestel in de hand. Het schemert al maar door de sneeuw is het licht genoeg. God wat is het prachtig, schilderachtig. Maar schilderen is niet mijn specialiteit, ik neem foto’s.

Het landweggetje achter het dorp langs heeft nog meer moois te bieden. De hoge oude perenbomen methun zwarte takken tegen de mistige achtergrond van de glooiende hellingen in de vallende duisternis. De hagen aan weerskanten en verderop de rijen van statige eiken. De bomen hebben een sneeuwschaduw; een kant met sneeuw beplakt de andere kant lijkt zwart. Een vos kruist verderop mijn pad.. Ik hoop sporen van de dassen te zien als ik aan de burchten voorbij ga. De sporen die ik zie zijn slechts van banden van mountainbikers. Ondiepe sporen liggen alweer onder de sneeuw

Die fietser zitten nu thuis, misschien poetsen ze hun fiets of wassen ze hun modderige kleding zijn De afgelopen natte dagen hebben ze diepe groeven in de modder gesneden.
Een klein vogeltje vliegt steeds 10 meter voor mij uit en het is stil, heel stil. Op het bospad omzeil ik de grote plassen en bedenk dat ik hier zonder de sneeuw mijn weg niet zou vinden in het donker. Net voor ik het bos uitloop hoor ik toch wat; zou het het geluid van zwijnen zijn? Als ik de weg oversteek om mijn weg door de velden te vervolgen hoor ik wat schoten van een jager.
Lekker makkelijk, jagen in de sneeuw.


Grappig idee dat in deze omstandigheden het zicht voor de automobilist juist zo beroerd is terwijl het voor de wandelaar juist lichter blijft. Niemand, niemand kom ik tegen en waar ik ook kijk is het stil, lijkt het vredig, wit en ongerept.



Ik loop de laatste meters op de landweg onder de lantaarns, ik loop in een sprookje. Ik denk aan 1985 toen ik hoorde dat de elfstedentocht verreden zou worden, De tocht der tochten waarvan de meeste mensen zeiden dat het daar nooit meer van zou komen.
Als fanatiek schaatsliefhebber, ijsliefhebber was ik teleurgesteld. Ik wist alles van winters en ijs en van schaatsen en schaatsers. Als 5 jarige schaatste ik al op geïmproviseerde schaatsen over het tapijt van de woonkamer. Ik 1963 liep ik aan de hand van mijn vader over de bevroren zeegolven. Ik had een grote bewondering voor mijn broer, schaatskampioen op het gymnasium. Hij is tien jaar ouder en had zijn kleine zusje leren schaatsen met hulp van een krukje op het ijs in het plantsoentje ergens in den Haag. Gewoon op van die doorlopertjes van hout met oranje linten die je goed moest aanbinden. Wat hij kon, wilde ik ook kunnen. Als je van het ijs afstapte schaatsten je voeten gewoon door, zo voelde dat.

Als het begon te vriezen zette ik een bekertje water bij het open raampje in de badkamer om de ijsdikte te controleren de volgende dag. Ik genoot van de ijsbloemen die op de ruiten groeiden van de onverwarmde slaapkamers.
De bevroren sloot voor het huis was nog een baan die groot genoeg was om je benen uit te slaan tussen de andere kinderen uit de buurt.
En de wanhoop de tocht der tochten gemist te hebben bleek niet nodig. In 1986 was er weer een Elfstedentocht. Ik deed gewoon mee… er was geen plaats meer voor nieuwe leden. Met vrienden reden we illegaal maar we genoten er niet minder van. Dat kruisje was het doel niet… de belevenis die was onvergetelijk.
Het weer hebben we niet in de hand, gelukkig niet.


Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

een indrukwekkende analyse van de stamboom van Piet, de zwarte

Simon Koorn :
donderdag 24 september 2020

Waarom heet Zwarte Piet eigenlijk “Piet”…

… of heette Zwarte Piet ooit ‘gewoon’ ≫Oele≪?

De vraag waarom ≫Zwarte Piet≪ eigenlijk ≫Piet≪ heet is op zich niet vreemd…,

maar de grap is natuurlijk dat Zwarte Piet eigenlijk oorspronkelijk helemaal geen Zwarte Piet heette…

… maar Oele (Ûle), en die was onzichtbaar, zwart, pikzwart, roetzwart, zo zwart als de nacht…

Oele was de zoon, boodschapper en vaste begeleider van Wodan die zich naar believen onzichtbaar kon maken om zo ongezien en onopgemerkt bij het oelegat (rookgat, ‘schoorsteen’) op het dak kon zitten luisteren en kijken wat zich daarbinnen onder de mensen bij het haardvuur zoal afspeelde en of er misschien al een offergave lag in de vorm van een klein deel van de oogst (zoals kindertjes nu nog steeds hun schoen zetten, sok ophangen gevuld met stro en peen voor het paard van Sint) waarmee de bewoners de goden vroegen om een nieuw vrucht baar jaar met een hopelijk (weerom) goede oogst.

Oele kon zich onzichtbaar maken middels eenzelfde/dzelfde tovermantel (¿…sterrenmantel…?) zoals ook Wodan die bezat. Ook wordt Oele wel voorgrsteld als de Maan (soms zichtbaar soms niet). Oele (→Frysk: Ûle) kon zichzelf ook veranderen in een uil en zo door het oelegat geruisloos en ongezien naar binnenglippen, je zag ‘m alleen als ‘ie één va z’n ogen opsloeg en die dan het licht van het haardvuur weerkaatste.

Ruprecht, Zwarte Klaas, Zwarte Piet, Père Fouetard…

of Sjaak Sjoër, Hans Muck/Muff, Schmutzli…;

ze lijken op elkaar en zijn vooral zwart, zwart als de nacht, pikzwart, zwart als roet.

Maar waarom heet onze Oele nu Zwarte Piet (→of op z’n Westfries & Frysk: Pietje Pik of Pietje Pek) en niet Père Fouettard (Noord-Frankrijk/Walonië) zoals in de Elzas/Rijnland Hans Muck/Muff, of Ruprecht (Noord-Duitsland) of Schmutzli (Zwitserland)…

en ook niet Sjaak Sjoer (Noord-Brabant) of Zwarte-Klaas (Veluwe, Salland, Twente)…

en waarin verschilt ‘onze’ Zwarte Piet wel/niet van deze figuren…

en waarin wijken deze zwarte figuren allemaal weer af van Krampus (gehoornd, bokkepoten, bebloede lippen lange tong etc.) en andere eveneens meer duivelse zwarte begeleiders van Sint Nikolaas in de Alpen en de Balkan of BelNickel (→Duivelse-Klaas – Beëlzebub-Nicolaas) c.q. PelzNickel/BelzNickel (→Duivelse-Klaas in pelzen/dierhuiden gehuld) in o.a. Angelsksische landen ?

Zwarte Pier, Pietje de Dood

De naam Zwarte Piet is op zich niet eens zo lastig te verklaren…:

enerzijds is het een mogelijke/logische verbastering van van Père Fouettard (Vadertje Zweep) waarbij ’t Franse ‘Père’ niet werd verstaan/vertaald als ‘Pater’ maar verbasterd tot ‘Pier/Peer’ oftewel ‘Piet’…;

anderzijds sloot de naam Piet goed aan bij het Middeleeuwse (bij)geloof en die de dood (in al haar verschillende verschijningsvormen) een naam gaf. Zo had je naast Magere Hein die je kwam halen als je tijd gekomen was ook nog Pietje (de) Dood die je kwam halen als je mogelijk iets had misdaan dat je het leven niet meer waardig zou kunnen zijn. Deze Piet had dus te oordelen over goed en kwaad, het was dus dezelfde als (zwarte) Petrus (Petrus→Peter→Pieter→Piet) die waakte over de Hemelpoort.

Pietje de Dood en (de zwarte) Père Fouettard zijn zo in naam versmolten tot Zwarte Piet.

Heette Zwarte Piet ook voor 1850 al Zwarte Piet?

Tegenwoordig is het haast ondenkbaar dat we Zwarte Piet geen Piet noemen, we schijnen meer moeite te hebben met het feit dat hij al duizenden jaren zwart is dan met het gegeven dat hij Piet zou heten.

Maar nog tot ver in de vorige eeuw heette Zwarte Piet ook boven de Grote Rivieren niet altijd Zwarte Piet; In Groningen, Friesland & Westfriesland sprak men ook wel van Pietje Pik c.q. Pietje Pek (→pek of pik oftewel teer is pikzwart, net als roet), daarnaast sprak men in het Oosten en Noord-Oosten (→Veluwe, Achterhoek, Salland, Twente, Drenthe estellingwerven en Groningen) ook van Zwarte Klaas; ook de naam Ruprecht/Rupert kwamen m.n. in het Oosten van het land (→net als in de aangrenzende delen van Duitsland, zoals Westfalen en Bentheim) nog lang voor, net als Sjaak Sjoer in Noord-Brabant.

Namen als Pietje Pik c.q. Pietje Pek spreken voor zich, waarbij de woorden ≫Pek≪ danwel ≫pik≪ zijn feitelijk synoniem aan zwart.

Ook de benaming Zwarte Klaas is niet lastig te verklaren als samensmelting van (de door de reformatie in de ban gedane Roomse heilige) St-Nicolaas en zijn zwarte/duivelse begeleider.

Waar de naam Ruprecht/Rupert vandaan komt kan ik alleen nog maa gissen.

De in Noord-Brabant gebruikte benaming Sjaak Sjoer is op zich ook interessant en in plaatsen als Tilburg gaat de gedachte dat het een verbastering van het franse ≫chaque-Jour≪ zou zijn, dit lijkt me zeer onwaarschijnlijk, er zijn logischer verklaringen denkbaar

(⋙Sjaak Sjoër⋘ uitspreken als ⋙Sjaahk Sjoehwer⋘

→ ⋙Sjoer⋘ is daarmee mogelijk een verbastering van ⋙Sjouwer⋘ oftwel de man die met zak en roede zeult;

→ als andere mogelijke oorsprong wordt ook wel ⋙Chaque Jour⋘ frans voor ⋙Elke Dag⋘ genoemd, hetgeen dan in verbasterde vorm ⋙Sjaak Sjoer⋘ of kort ⋙Sjaksjoer⋘ geworden zou zijn, maar de aanleiding voor deze afleiding is vooralsnog even duister als deze naamsverbastering gezocht is; het zou dan zijn terug te voeren op schoorsteenvegers die in het stookseizoen ⋙elken dag⋘ oftewel ⋙chaque jour⋘ op het dak te vinden zouden zijn om slecht trekkende rookkanalen de vegen).

Toch gaat de naam Piet voor de zwarte/duistere begeleider van Sinterklaas al ver terug…,

in elk geval verder dan ’t boekje van Jan Schenkman uit ca. 1850.

Al in 1778 verscheen de bundel ≫Kleine gedigten voor kinderen≪ van Hieronymus van Alphen. In één van de gedichtjes, ≫Klaasje en Pietje≪ vlak voor de Kersttijd, vraagt Klaasje aan Pietje of hij als hij stout geweest zou zijn, bang is voor de zwarte man. Waarop Pietje Klaasje terecht wijst, want hij is niet (meer) bang, immers Sint & Piet bestaan toch niet.

≫Klaasje en Pietje≪ uit ≫Kleine gedigten voor kinderen≪ auteur Hieronymus van Alphen.

Uitgave 1778 – Beeldarchief Koninklijke Bibliotheek

 

Weliswaar wordt hier niet van ⋙Zwarte Piet⋘ gesproken, maar wie bedenkt dat Sinterklaas en Piet, als restant van verfoeilijk paapse heiligenverering, ten tijde van de Republiek grotendeels ondergronds/heimelijk gevierd moesten worden omdat de protestantse kerk een dergelijk feest feitelijk niet toestond snapt de ‘stille’ verwijzing van Hieronymus van Alphen direct.

Wat maakt ‘onze’ Zwarte Piet anders dan Père Fouettard en die andere zwarte/duistere begeleiders van St-Nicolaas?

Dat te verklaren wordt een stuk lastiger.

Wat is het verschil tussen onze Zwarte Piet en als die andere Zwarte-Piet-achtige begeleiders van Sinterklaas/St-Nicolaas.

Daarvoor moeten we alweer een stuk verder terug in de tijd. Terug naar de tijd dat de Franken al wel en de Friezen en Saksers nog niet gekerstend waren.

Onze Zwarte-Piet (Zwarte-Klaas en Ruprecht) staat nog vol in de heidense traditie van de Germaanse Oele. Ze zijn vrije ongeketende begeleiders die Wodan en zijn 8-benige paard Sleipnir hebben voor Sinterklaas en z’n over de daken vliegende schimmel.

Verder gedraagt Zwarte Piet zich nog precies als de Fries/Saksische Oele, de Uil, de Maan, de schoorsteen, je ziet hem niet (of alleen als hij het wil), onzichtbaar, zwart als de nacht, zo zwart als (en dus niet van) roet.

Père Fouettard, Hans Muck/Muff en Schmutzli zijn de verschijningsvormen van de geketende zwarte begeleider van Sinterklaas in (dat deel van) ‘Frankenland’ dat reeds in Romeinse Tijd nog voor de komst van de (Germaanse) Franken gekerstend was. Daar is Piet de door door Nikolaas overwonnen en geketende heidense ‘god’ (de heidense Oele) die nu het Christendom dienen zal door in opdracht van Sint de kindertjes bij de les te houden en desnoods te straffen. Daarnaast heeft Sint nog wel andere meer schrikwekkende begeleiders als de Kindervreter en nog zowat aan ontuig.

Krampus en consorten zijn weliswaar (even) zwarte/duistere begeleiders van St-Nicolaas las ‘onze’ Zwarte Piet, maar lijken verder eigenlijk in niets op hem; Krampus-c.s. hebben een (bijna) duivels uiterlijk; met horens, staart, bokkepoten en soms zelfs (vleermuis)vleugels lijken zij meer op Faun/Pan. Zij staan daarmee niet zozeer in de Germaanse traditie rond Oele en de Wilde jacht alswel een op waarschijnlijk dezelfde oertradities teruggaande winter- en vruchtbaarheidstradities van vroegere volkeren uit Alpenlande, Balkan en Mediterane volken. Toch zien we ook hier naast het zwart zijn van de begeleiders een groot aantal overeenkomsten in hun (heidense) rol naast de christelijke St-Nikolaas.

Ook is hun rol (als overwonnen duivels) duidelijker ondergeschikt aan de Sint; ze passen daarmee ook eigenlijk beter in de oude Griekse tradities van St-Nicolaas die als schutspatroon van zeelieden de duivel overwon (om die reden zou op veel oude, middeleeuwse, afbeeldingen waarin zeelieden St-Nicolaas om hulp bidden een Krampusachtig duiveltje boven in de mast of zeilen zijn afgebeeld).

Hoe en waarom heeft Zwarte Piet (maar ook Krampus)…

ondanks eeuwenlange onderdrukking en verbanning door de Kerk…

tot in de huidige tijd overleefd…

en hoe hebben ze hun karakter grotendeels weten te behouden?

Die vraag dringt zich natuurlijk op. Als Zwarte Piet eigenlijk een mythische heidense figuur is hoe kan het dan dat hij tot op de dag van vandaag nog gewoon heeft voortgeleefd in onze op christelijke leest en zeden geschoeide huidige samenleving met onze hedendaagse zeden en gebruiken?

Waarom heeft Oele c.q. Zwarte-Piet überhaupt nog steeds een plaats naast Sinterklaas?

Ook daarvoor moeten we terug naar de nog ongekerstende Germanen, de Friezen, Saksers, Franken. Ons Sinterklaasfeest rust voor een groot deel op de heidense/germaanse midwinterfeesten die gezamenlijk vaak worden omschreven als de Wilde Jacht (Joelfeesten ↔︎ Skandinavische Julfester); tradities waar na kerstening geen plaats meer voor was.

Kerstening van Oele tot Zwarte Piet…

… ik hoor je wel maar ik zie je niet.

De (latere Katholieke) Kerk was slim en verving waar maar mogelijk heidense tradities door nieuwe christelijke varianten rond dezelfde tijd van het jaar. Voor de Wilde Jacht kregen we nu de Kersttijd, Sinterklaas en Sint-Maarten. Wodan werd Sint-Nicolaas (en/of St-Maarten), zijn 8-benig paard een schimmel, zijn tovermantel een tabberd, zijn bliksemschicht een staf, zijn helm z’n mijter, z’n alwetendheid het grote Boek, zijn zak, de zak. enz.; maar wat te doen met Oele/Piet?

Van Oele/Piet moest de Kerk zo min wat hebben als van Fan/Pan/Krampus, maar ‘het_volk’ ‘besliste’ anders, immers onze Sinterklaastradities draaien eigenlijk in oorsprong veel meer om de zwarte-man dan om de Wodan/Sint…,

het gaat om het verhaal van maan, schoorsteen, offers/schoen, vruchtbaarheid/roede, nieuwe-oogst/geschenken; allemaal zaken waar Oele/Piet de belangrijkste schakel tussen mens en God(en) was/is.

De oplossing was simpel, Piet bleef buiten de Kerk werd nog onzichtbaarder dan hij altijd al was (kinderrijmpje: zwarte, zwarte Piet…, Ik hoor je wel… maar ik zie je niet…)…;

de Fries-Saksische Oele ging al gelijk bij kerstening ‘ondergronds’ en deed wat hij moest doen alleen van dat ongezien en ongemerkt aan Wodan door te brieven werd Sinterklaas nu voorzien van alle informatie. Vervolgens ging Oele/Piet weer naar de mensen met de gaven van Sint, rammelde aan de ramen bonsde deuren kwam ongezien binnen en verdween weer ongezien door deur of schoorsteen, bijna niemand die ‘m ooit ‘echt’ zag.

De Kerk, de Reformatie, Calvinisme en Sinterklaas

Dat Zwarte Piet al bij kerstening van van de Noordelijke Nederlanden (Friezen en Saksers) al vanaf de tijd van Karel de Grote ondergronds gegaan was bracht voor de ‘middeleeuwse’ Zwarte-Piet een paar onverwachte voordelen ten tijde van de Reformatie en het ontstaan van onze Republiek.

In het Calvinistisch Nederland van de Republiek was geen plek voor de aan afgoderij (bijna) gelijkgestelde katholieke heiligenverering. De Katholieken gingen ondergronds en konden bij gedogen kerken in z.g. schuilkerken, maar openlijk katholieke feesten vieren was er niet meer bij. Sint-Nicolaas-markten werden verboden, schoolkinderen waren niet meer een dag de baas met Sinterklaas, Sinterklaaskoeken (vrijers/vrijsters, paarden van speculaas, taai, pepernoten) konden niet meer zomaar openlijk als ‘sinterklaasgebak’ worden verkocht, voor speculaas was dat geen echt probleem (er kwamen schepen, kastelen, oliphanten kamelen) en pepernoten… ach. Maar Sinterklaas zelf kon zich natuurlijk ook nergens meer in het openbaar vertonen, wilde hij overleven dan diende hij net als Oele/Zwarte-Piet eeuwen eerder al had gedaan ondergronds te gaan, en dat deed de Sint dan ook; feitelijk zou je kunnen aannemen dat het verschijnsel van Zwarte Klaazen (en in minder mate BelNickels in Angelsaksische gebieden) een soort versmelting is van de Sint en zijn zwarte begeleider, waar Zwarte piet was was ook de Sint en beide waren zwart als de nacht zo zwart als roert onzichtbaar, maar kabaal maken deden ze nog steeds, en voor de kleintjes brachten ze nog steeds lekkers en cadeautjes, wie stout was moest vrezen in de zak te verdwijnen en voor de meisjes en jongens op vrijersvoeten waren die Zwarte-Klazen de onschuldiger varianten van de wildemans-feesten waarbij jongens de meisjes voor zich wonnen schaakten.

Slechts daar waar de kerk en stad ver weg waren, op de Veluwe, de Wadden en ander afgelegen (ongetwijfeld tot groot ongenoegen van kerkeraad, dominee en pastoor) nog half-heidense gebieden overleefden ook de wildemanstradities net als ze dat in de middeleeuwen hadden gedaan.

Na de Franse Tijd…

… godsdienstvrijheid en de emancipatie van Katholiek Noord-Nederland.

Met de instelling van algemene godsdienstvrijheid in Nederland na de Franse Tijd kwamen er ook weer Katholieke Kerken die prachten praal uitstraalden. Zo ook in Amsterdam waar de Nieuwe Sint-Nicolaas-Baseliek het verlies van de Oude (St-Nicolaas) Kerk moest goed maken. Amsterdam had voor de Reformatie St-Nicolaas als schutspatroon gehad en die traditie moest in ere worden hersteld; maar daarmee haalde je ook Sinterklaas en zijn vroeger al buitenkerkelijk trawanten bovengronds en daarmee het gevaar dat de inmiddels eeuwen ondergronds voorpruttelende voorchristelijke tradities van de wilde jacht en Oele ook de kop weer opstaken, als havenstad vol zeelieden en koopmannnen hoefden ze maar naar Fries-Hollandse Waddeneilanden te kijken om te zien hoe op Texel, Vlieland Terschelling, Ameland en Schier de voorchristlijke wildemansfeesten zich hadden ontwikkeld tot Alde-Sunde(r)kloas, Sundekloas, Sunderum, Sunnekloas met Klaas(heer)omes etc.; dergelijk ‘onzedelijk gedrag daar zaten ze in Mokum niet op te wachten. De enige figuur buiten de Sint zelf waar ze echter zelfs in Amsterdam niet heen konden was de tot Zwarte-Piet geëvolueerde figuur van Oele.

Oele was goedaardig en dat was dat als Zwarte-Piet, Zwarte Klaas of welke naam men hem ook gaf gebleven…;

en dat ondanks alle pogingen van de vroegere (Middeleeuwse) Kerk ‘m te verketteren tot een bijna duivelse figuur (geen kindervriend maar de bestraffende helper/beul van Sint-Nicolaas met de zweep of roede, de kwaadaardige Père Fouettard dus). ’t Feest mocht dan Sinterklaas heten, Piet was en bleef toch feietelijk de ster van de traditie, degene zonder wie Sint-Nicolaas niets hoorde van wat zich nij het haardvuur afspeelde, zonder wie hij dus niets wist, niets kon doen, geen pakjes bezorgen, geen zak met goede kon dragen, geen stoute kinderen erin stoppen, geen schip kon besturen, niets, helemaal niets…

≫Zwarte Piet≪ in zeemanskostuum

uit Sint Nikolaas en zijn Knecht – Jan Schankman (1850 – 1ste druk):

St. Nikolaas bij den Banketbakker

(→ dus net zoals nu nog steeds sommige zwarte helpers van St-Nicolaas in bepaalde delen van Italië zijn uitgedost…; Schenkman had zich dus best goed gedocumenteerd maar waar bij blijkbaar geen rekening had gehouden was dat zo’n mediteraan matrozenpakje met een half ontbloot bovenlijf natuurlijk veel te koud voor publieke optredens van zijn niewerwetse ‘Zwarte-Piet’ in december in Mokum)

… en samen met Sint kwam hij voortaan helemaal uit het verre Spanje varen, in een hypermoderne stoomboot. In ons land gingen ze dan verder met een al even nieuwerwetse vinding van de stoomtrein en zelf verplaatste het tweetal zich met een luchtschip onder een heuse luchtballon.

Een groot succes, Sint en piet in moderne Amsterdamse 19de eeuwse snit.

Kortom Sint kon niet zonder Zwarte-Piet, dus moest Zwarte-Piet in een modern geciviliseerd jasje worden gestoken, en dat is wat Schenkman deed, hij maakte van Zwarte-Piet (zonder ‘m zo te noemen) een moderne Moorse (zwarte) zeeman, compleet in zeemanskostuum en gouden zeemansoorring(en)…

Daar stijgt hij op ’t paardje per luchtbal omhoog

uit Sint Nikolaas en zijn Knecht – Jan Schankman (1850 – 1ste druk):

St. Nikolaas vertrekt

Einde verhaal…?

Nee, niet helemaal, want de rest van het land kende Zwarte-Piet wel (ook werd hij overal weer bij een andere plaatselijke naam genoemd) maar van al die nieuwerwetse Amsterdams-Hollandse fratsen wist men niks of moest man niets hebben.

Hun eigen Zwarte Piet rammelde nog met kettingen aan ramen en deuren, joeg kindertjes de stuipen op het lijf, werd nog steeds niet gepruimd door de dominee (en zelfs niet door meneer pastoor), ook had hij ook niet altijd zo’n mooi mediterraan matrozenpakje aan…;

(al was het maar omdat dat met zo’n half ontbloot bovenlijf natuurlijk veel te koud was voor december in Mokum en ook de rest van het land, geen Piet die zo met Sint de straat op wilde)

bovendien droeg die nieuwerwetse Amsterdamse Piet geen mantel, had hij niet eens eens roede, en al helemaal geen doorbloede/bebloede lippen (doorbloed van geiligheid, danwel langs de lippen druipend bloed van net verorberd stoutekinderenvlees).

Gelukkig kreeg de Amsterdamse Piet kreeg al gauw, in één van de herdrukken van Schenkmans boekje, een ander pakje, ongeveer hetzelfde 16-eeuwse pakje dat de stadsherauten van Mokum bij feest en hoogtijdagen droegen en dus ook bij de intocht van St-Nikolaas (stads hervonden schutspatroon) compleet met mantel en pet.

In zo’n mooi pakje wilde Zwart-Piet zich overal wel vertonen en langzamerhand veroverde de zo geklede Piet het hele land. Daar kreeg hij ook de roede en rode doorbloede lippen terug, her en der zelfs een zweep of kettingen om zijn ouderwetse beulswerk naar behoren te kunnen doen.

Tegelijkertijd raakte Zwarte_piet meer en meer losgezongen van zijn voorchristelijke wortels van Oele:

In z’n mooie herautenpakje was de de link met het verleden steeds lastiger te leggen, hij was zwart, maar waarom eigelijk,

en je zag ‘m nooit…, maar bij de intocht van Sint en overal waar die ging was hij niet van diens zijde te slaan en dus dan ook juist wel heel zichtbaar.

Gelukkig waren de meeste gezinnen niet bemiddeld genoeg om zich een verklede (betaalde) Sinterklaas in huis te halen en was de Rommeldebommel-op-zolder-Piet die aan ramen en deuren rammelde en bonsde nog lang een graag (on)geziene gast die plomverloren strooigoed de kamer in smeet (in d’een of ander hoek) waarna een mand/zak met goede gaven werd achtergelaten in keuken, schuur, gang of zelfs de woonkamer waar toevallig vanwege het rumoer elders in huis op dat moment even niemand meer was.

Dat Piet en de heidense Oele één en dezelfde waren was in het gemoderniseerde en geciviliseerde interklaas feest eigenlijk niet meer te herkennen…

en dat ondanks het feit dat Piet net als Oele nog steeds precies hetzelfde deed als bij de heidense Friezen en Saksers en dat er geen sinterklaasliedje kan/kon zonder schoorstenen, pikzwarte (onzichtbaar in het donker) Pieten, schoenen sokken, peen, stro, maan, pepernoten, haardvuur, zingen en (af)luisteren, oplichtende ogen in het donker en over daken vliegende paarden, mantels, zakken, roedes en bliksemstaf.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

flitsende gorilla’s en luie studenten

Flitskoeriers

De overlast in de binnensteden is groot, de overlast in woonwijken waar veel mensen wonen.

Een reportage op tv gisteren over de overlast door toename van flitscouriers en darkstores was verhelderend maar ook weer onthutsend. De flitscouriers zorgen voor de (zogenaamde groene) bezorging van producten die de consument zeker weten ook zelf had kunnen halen binnen 100 tot 1000 meter afstand! Niet 24 uur per dag misschien en het duurt iets langer dan 3 minuten en je moet er voor uit je luie stoel

Een aantal studenten vond het juist zo gemakkelijk als ze op maandagochtend met hun brakke kop liever niet op straat gezien willen worden en: “ dit is is gewoon de toekomst….. in china doen ze dit al veel meer…). In de avond zitten ze naar voetbal te kijken of iets anders en dan blijkt er opeens geen bier meer in de koelkast, of zoutjes….. …een appje naar de flitslijn.

Voor mij het bewijs dat er meer eisen gesteld kunnen worden aan veel studenten: meer studeren en minder geld om decadent zoveel te zuipen dat je op maandagochtend nog niet eens helder bent en kennelijk ook niet kunt studeren.

De Amsterdamse baas van Gorilla’s bezwoer: dit is nu eenmaal wat de consument wil. Aan de andere kant van de tafel een lid van het college in de stad dat tegenwicht biedt, bewoners klagen over verkeersoverlast, ruimtegebrek en lawaaioverlast en slapeloze nachten. Als meneer Gorilla dan zegt dat hij alleen maar tegemoet komt aan de wensen van de mensen die nou eenmaal…. moet ik denken aan opvoeding van kleuters.

Kinderen willen snoepen, luieren, niet te veel moeite doen, alleen doen wat ze op dat moment strikt leuk vinden. De ouders zijn er dan om te waken voor hun gezonde toekomst:op tijd naar bed, niet te veel snoepen, zelf je rommel opruimen, tanden poetsen etc.

Bij de flitswensen is het duidelijk dat sommige mensen ook een betutteling nodig hebben. De flitswens staat haaks op *je wil een stad waar mensen kunnen bewegen *een stad waarin iedereen kan slapen wanneer nodig *een stad waar plaats is voor groen |*woonwijken die niet ontsiert worden door tal van blinde panden *geen voortdurend vrachtverkeer voor aanvoer van levensmiddelen *veilige omgeving voor jonkies en minder validen *we willen bovendien het aantal flexwerkers en slechtbetaalde functies uitbannen.

Ook de gemak-dient-de mens jongelui worden later groot en blijken dan ook de bovenstaande wensen te koesteren…. dat geloven ze nu nog niet. Door de wering van flitswinkels komt niemand tekort.

Niemand hoeft zonder boodschappen te zitten, ze kunnen zelfs aan huis gebracht worden, zij het niet binnen 3 minuten. Onze obesitas samenleving snakt naar beweging …. als je het kunt, ga dan zelf sjouwen met je boodschappen.

Studente, de jonge lieden die geacht worden beter te kunnen nadenken dan veel anderen zouden moeten begrijpen dat het dictatoriale China niet bepaald een voorbeeld hoort te zijn ter navolging… ze zouden moeten snappen dat het toestaan van flitsbezorging daar juist een middel is om het volk zoet te houden, te onderdrukken.

En meneer Gorilla moet niet de kans krijgen om te doen alsof hij dat allemaal alleen maar doet omdat de vraag zo groot is.

Gorilla creëert die vraag namelijk helemaal zelf.

Als ik gratis ijsjes uitdeel en mensen zijn daar blij mee wil dat nog niet zeggen dat er een noodzakelijke behoefte is aan gratis ijsjes.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen